ECLI:NL:GHLEE:2002:AD9398

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
17 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
Rekestnummer 0100405
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Boon
  • Bloem
  • Laagland
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:261 lid 3 BWArt. 503 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep minderjarige tegen uithuisplaatsingsbeschikking

In deze zaak heeft een minderjarige, geboren in 1988, zelfstandig hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing in een observatiegroep verleende. De minderjarige was dertien jaar oud ten tijde van het hoger beroep.

Het hof stelt als uitgangspunt dat een minderjarige onbekwaam is om zelfstandig als formele procespartij op te treden en hoger beroep in te stellen. De vertegenwoordiging van de minderjarige dient plaats te vinden door degene onder wiens gezag hij staat, in dit geval de moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De moeder heeft echter geen gebruik gemaakt van deze bevoegdheid.

Het hof overweegt dat indien belangen van de gezagsdrager en de minderjarige conflicteren, een bijzonder curator kan worden benoemd. In deze zaak was geen bijzonder curator benoemd en de raadsman van de minderjarige was niet bevoegd om haar te vertegenwoordigen. Daarnaast was de machtiging tot uithuisplaatsing geen uithuisplaatsing in een gesloten setting waarvoor een raadsman aan de minderjarige kan worden toegevoegd.

Het hof concludeert dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is en verklaart het beroep van de minderjarige niet-ontvankelijk. De beschikking tot uithuisplaatsing blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minderjarige tegen de beschikking tot uithuisplaatsing wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Beschikking d.d. 17 januari 2002
Rekestnummer 0100405
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
beschikking in de zaak van
[naam appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna ook te noemen: [appellante],
procureur mr G.B. Dekker,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Friesland,
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de gezinsvoogdij-instelling,
niet verschenen.
Belanghebbenden
[naam belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de moeder,
niet verschenen,
[naam belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
hierna ook te noemen: de vader,
niet verschenen.
Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 11 juli 2001 heeft de kinderrechter in de rechtbank te Leeuwarden - voor zover hier van belang - de termijn van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [naam appellante], geboren op 19 januari 1988, laatstelijk verlengd met een jaar, ingaande 15 juli 2001, met handhaving van de Stichting Jeugdbescherming Friesland als gezinsvoogdij-instelling.
Bij beschikking van 28 november 2001 heeft de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling gemachtigd om voornoemde minderjarige uit huis te plaatsen in een observatiegroep te [vestigingsplaats], ingaande 28 november 2001 tot 15 juli 2002.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 12 december 2001, heeft [appellante] verzocht:
- primair de beschikking van 28 november 2001 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat [appellante] bij haar moeder feitelijk mag verblijven alwaar zij de nodige begeleiding krijgt van de gezinsvoogdij-instelling middels nader te maken afspraken en/of onderzoek;
- subsidiair de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [appellante] in een observatiegroep te [vestigingsplaats] in te korten tot 22 februari 2002.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.
Ter zitting van 17 januari 2002 is de zaak behandeld.
De beoordeling
1. De minderjarige [naam appellante], geboren op 19 januari 1988, thans dertien jaar oud, heeft zelfstandig hoger beroep ingesteld tegen de beschikking d.d. 28 november 2001.
2. Als uitgangspunt geldt dat een minderjarige onbekwaam is en derhalve niet bevoegd is zelfstandig als formele procespartij op te treden en hoger beroep in te stellen.
3. De minderjarige wordt in rechte vertegenwoordigd door degene onder wiens gezag hij staat.
4. Vaststaat dat de moeder, die alleen het ouderlijk gezag heeft over [appellante], niet van voormelde bevoegdheid om namens [appellante] in rechte op te treden gebruik heeft gemaakt.
5. Indien de belangen van de met het gezag belaste ouder in strijd zijn met die van de minderjarige kan de kantonrechter een bijzonder curator benoemen om de minderjarige in rechte te vertegenwoordigen.
6. De raadsman van [appellante] is niet benoemd tot bijzonder curator op grond van artikel 1:250 BW Pro en derhalve niet bevoegd om [appellante] in rechte te vertegenwoordigen.
7. Voorts kan in een geval waarin een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten setting wordt verzocht op grond van artikel 1:261 lid 3 BW Pro een raadsman aan de minderjarige worden toevoegd om ten processe te kunnen optreden.
8. De bij beschikking van 28 november 2001 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [appellante] strekt niet tot een uithuisplaatsing in een gesloten setting op grond van artikel 1:261 lid 3 BW Pro.
9. Het hof merkt tenslotte op dat artikel 503 Sv Pro - anders dan de raadsman meent - gelet op de aard en inhoud van die bepaling geen (analoge) toepassing kan vinden.
10. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat [appellante] niet kan worden ontvangen in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van 28 november 2001.
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart [appellante] niet ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van 28 november 2001.
Aldus gegeven door mrs Boon, voorzitter, Bloem en Laagland, raden, en uitgesproken door mr Boon, vice-president, in tegenwoordigheid van Van der Velden als waarnemend griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van donderdag 17 januari 2002.