ECLI:NL:GHLEE:2002:AD9413
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Van den Bergh
- Van der Meer
- Hartsuiker
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep wegens overschrijding redelijke termijn in complexe vermogensdelictenzaak
In deze zaak stond de vraag centraal of het openbaar ministerie ontvankelijk bleef ondanks overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM. De zaak betreft complexe vermogensdelicten waaronder valsheid in geschrift, medeplegen van oplichting en faillissementsfraude.
Het hof constateerde dat gedurende de onderzoeksperiode van juni 1994 tot maart 2001 een vertraging van elfeneenhalve maand aan de autoriteiten kan worden toegerekend, welke op zichzelf niet onredelijk werd geacht. Echter, de periode tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling bij het hof was onnodig lang en leidde samen tot overschrijding van de redelijke termijn.
De verdediging voerde aan dat deze overschrijding tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moest leiden, mede gelet op de aard van de zaak en de vermeende geringe mate van schok voor de rechtsorde. Het hof oordeelde echter dat het maatschappelijk belang bij vervolging zwaarder weegt en dat geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn om niet-ontvankelijkheid toe te passen.
Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank dat het OM niet-ontvankelijk verklaarde en verwees de zaak terug naar de rechtbank te Assen voor hernieuwde behandeling en afdoening op de bestaande dagvaarding.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk, verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.