ECLI:NL:GHLEE:2002:AE0608

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
30 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 01-00236
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
  • Huisman
  • Van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 WAHVArt. 11 lid 3 WAHVArt. 12 lid 1 WAHVArt. 13 lid 1 WAHVArt. 2 Wet op de rechterlijke indeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid kantonrechter bij niet tijdig stellen van zekerheid WAHV

De betrokkene was in beroep gegaan tegen een beslissing van de officier van justitie inzake een administratieve sanctie opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de betrokkene niet binnen de gestelde termijn zekerheid had gesteld voor betaling van de sanctie.

De betrokkene voerde aan dat de kantonrechter te Zevenbergen niet bevoegd was vanwege de gemeentelijke herindeling waarbij de gemeente Zevenbergen was opgeheven en opgenomen in de gemeente Moerdijk. Het hof oordeelde dat de bevoegdheid van het kantongerecht Zevenbergen bleef bestaan voor het rechtsgebied van de voormalige gemeente Zevenbergen, en dat de gedraging plaatsvond binnen dat rechtsgebied.

Verder stelde de betrokkene dat de beslissing niet in het openbaar was uitgesproken en dat er geen proces-verbaal van de zitting was opgemaakt. Het hof stelde vast dat de beslissing wel in het openbaar was uitgesproken en dat de wet het mogelijk maakt dat de kantonrechter zonder zitting beslist bij niet tijdig stellen van zekerheid.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het beroep af. Dit arrest werd uitgesproken door het gerechtshof Leeuwarden op 30 januari 2002.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet tijdig stellen van zekerheid en oordeelt dat het kantongerecht Zevenbergen bevoegd is.

Uitspraak

WAHV 01/00236
30 januari 2002
CJIB 33194305
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Zevenbergen
van 9 april 2001
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Breda niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.
3.2. De betrokkene voert aan, dat de kantonrechter te Zevenbergen niet bevoegd is kennis te nemen van zijn beroepschrift.
3.3.1. Art. 10 WAHV Pro bepaalt voor zover hier van belang dat de officier van justitie het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ter kennis brengt van het kantongerecht binnen wiens rechtsgebied de gedraging is verricht.
3.3.2. Blijkens de gedingstukken is de gedraging op 1 april 2000 verricht op de Achterdijk 308 te Zevenbergen in de gemeente Moerdijk.
3.3.3. Op 1 april 1998 is de naam van de gemeente Zevenbergen gewijzigd in gemeente Moerdijk. Tot deze gemeente behoort onder meer Zevenbergen.
3.3.4. Ingevolge art. 2 van Pro de Wet op de rechterlijke indeling, zoals deze bepaling luidde van 19 juni 1998 tot en met 30 april 2001, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, strekt het rechtsgebied van het kantongerecht te Zevenbergen zich uit over de gemeenten Etten-Leur, Halderberge, Rucphen en Zevenbergen.
3.3.5. Nu de wetgever in het opheffen van de gemeente Zevenbergen per 1 januari 1998 geen aanleiding heeft gezien art. 2 van Pro de Wet op de rechterlijke indeling te wijzigen, moet die bepaling kennelijk aldus worden verstaan, dat die opheffing niet tot wijziging van de bevoegdheid van het kantongerecht Zevenbergen heeft geleid. Derhalve moet art. 2 van Pro voormelde wet aldus worden verstaan, dat voor de bevoegdheid van de kantonrechter bepalend is of de gedraging heeft plaatsgevonden in het gebied dat behoorde tot de (voormalige) gemeente Zevenbergen. Nu de gedraging heeft plaatsgevonden op het grondgebied welke tot het rechtsgebied van het kantongerecht Zevenbergen behoorde, was het kantongerecht te Zevenbergen ten tijde van het instellen van beroep tegen de beslissing van de officier van justitie en ten tijde van het nemen van de beslissing bevoegd te oordelen over het onderhavige beroep. Het verweer van de betrokkene treft derhalve geen doel.
3.4. De betrokkene voert verder aan, dat de bestreden beslissing niet in het openbaar is uitgesproken.
3.5. De beslissing van de kantonrechter houdt in dat deze is gegeven en in het openbaar is uitgesproken door mr J.J. Minnaar, kantonrechter, op 9 april 2001 in tegenwoordigheid van J.A.J. van den Boom, griffier. Deze grief van de betrokkene treft derhalve evenmin doel.
3.6. De betrokkene voert tenslotte aan, dat er geen proces-verbaal is opgemaakt van de openbare zitting.
3.7. Het verweer van de betrokkene moet aldus worden opgevat dat het beroep ten onrechte niet ter zitting van de kantonrechter is behandeld. Uit het systeem van de wet, zoals dat besloten ligt in de art. 11, leden 3 en 4, 12, lid 1en 13, lid 1, WAHV, volgt, dat in geval van het niet of niet tijdig stellen van zekerheid de kantonrechter op het beroep kan beslissen zonder de betrokkene te horen (vgl. HR 3 maart 1992, VR 1992, 68).
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.