ECLI:NL:GHLEE:2002:AE0927
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Mollema
- Zuidema
- Meijeringh
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis inzake huurvordering en beslaglegging in faillissementsprocedure
In deze civiele procedure in hoger beroep heeft appellant zich verzet tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden waarin zijn vorderingen tegen de curator in het faillissement van zijn echtgenote zijn afgewezen. Appellant stelde onder meer dat zijn feitelijke rol bij de exploitatie van het geexploiteerde object groot was en dat de vordering van de curator ondeugdelijk was.
Het hof heeft vastgesteld dat appellant zijn verzuim om de dagvaarding tijdig te betekenen heeft hersteld en hem in hoger beroep ontvankelijk verklaard. Vervolgens heeft het hof de vaststaande feiten overgenomen die niet zijn bestreden. Uit de overgelegde producties blijkt dat appellant nauw betrokken was bij de exploitatie en dat er onvoldoende verantwoording is afgelegd over de kassabedragen die hij heeft meegenomen.
Het hof oordeelt dat de curator voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een groot verschil bestaat tussen de verwachte omzet en de afdrachten, en dat een substantieel deel van de omzet mogelijk bij appellant is gebleven of voor privé-uitgaven is gebruikt. De door appellant gestelde ondeugdelijkheid van de vordering is niet aannemelijk gemaakt.
Daarom worden de grieven van appellant verworpen, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep van appellant af.