ECLI:NL:GHLEE:2002:AE3608

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
29 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK 280/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • E. Aardema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 AwirArt. 26c AwirArt. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid in beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 1997 afgewezen

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997. De inspecteur heeft uitspraak gedaan op het bezwaarschrift, waarna belanghebbende beroep instelde bij het gerechtshof. De voorzitter van de belastingkamer verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken was ingediend of ter post bezorgd.

Belanghebbende kwam hiertegen in verzet en stelde dat het beroepschrift reeds op 3 april 2001 ter post was bezorgd. Het gerechtshof oordeelde echter dat het poststempel van 9 april 2001 en de ontvangst op 10 april 2001 het vermoeden wekten dat het beroepschrift te laat was verzonden. Belanghebbende slaagde er niet in dit vermoeden te ontzenuwen, omdat hij geen bewijs leverde van tijdige verzending.

Het hof overwoog dat het verzet ongegrond is omdat belanghebbende geen feiten of omstandigheden had gesteld die een redelijke grond geven om niet van verzuim uit te gaan. Ook het argument dat hij de volle zes weken meer dan nodig had en de intentie had tijdig te reageren, bood geen soelaas. Het hof benadrukte dat een pro forma beroepschrift tijdig had kunnen worden ingediend.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en de beschikking van niet-ontvankelijkheid gehandhaafd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkheidsbeschikking in het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 1997 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 280/01 29 mei 2002
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het verzet van X te Z tegen de beschikking van de voorzitter van de belastingkamer van 20 april 2001.
De voorzitter heeft bij voormelde beschikking uitspraak gedaan op het door de belanghebbende ingestelde beroep tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997.
Ingevolge de artikelen 26 en 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht kan hij, die bezwaar heeft tegen een uitspraak van de inspecteur, binnen zes weken na dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep komen bij het gerechtshof.
De uitspraak van de inspecteur is gedagtekend 20 februari 2001, terwijl het beroepschrift op 10 april 2001 bij het gerechtshof is ingekomen en een poststempel met als datum 9 april 2001 draagt. Daar de voorzitter van oordeel was dat het beroepschrift niet binnen vorenbedoelde termijn van zes weken bij het gerechtshof is ingekomen en evenmin binnen deze termijn ter post is bezorgd, heeft hij de belanghebbende bij beschikking van 20 april 2001 niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
Tegen deze beschikking is de belanghebbende tijdig in verzet gekomen bij een verzetschrift dat is ingediend op 11 mei 2001. De inspecteur heeft hierop schriftelijk gereageerd. De belanghebbende is gehoord omtrent zijn verzet ter zitting van het gerechtshof op 15 mei 2002 gehouden te Groningen, alwaar de inspecteur eveneens is verschenen.
Aan de omstandigheid dat het beroepschrift de poststempel met de datum 9 april 2001 draagt en het beroepschrift op 10 april 2001 bij het gerechtshof is ingekomen, ontleent het gerechtshof het vermoeden dat de belanghebbende zijn beroepschrift te laat ter post heeft bezorgd. Het gerechtshof acht de belanghebbende er niet in geslaagd dit vermoeden te ontzenuwen. Weliswaar heeft de belanghebbende in zijn verzetschrift gesteld dat hij het beroepschrift reeds op 3 april 2001 ter post heeft bezorgd, doch voor deze stelling heeft hij geen enkel bewijs geleverd.
Naar het oordeel van het gerechtshof heeft de belanghebbende in zijn verzetschrift alsmede ter zitting geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan in de zin van artikel 6:11 van Pro de Awb redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Belanghebbendes grieven inhoudende dat hij de volle zes weken meer dan nodig had en dat hij de intentie had binnen de wettelijke termijn te reageren, kunnen hem niet baten. Opgemerkt zij dat hij immers tijdig een pro forma beroepschrift in had kunnen dienen.
Op grond van het vorenoverwogene dient te worden beslist als volgt:
Het gerechtshof, uitspraak doende,
verklaart het verzet ongegrond.
Gedaan op 29 mei 2002 door prof. mr. E. Aardema, vice-president, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier en op die dag in het openbaar uitgesproken.
Op 5 juni 2002 afschrift
aangetekend verzonden aan beide
partijen.