ECLI:NL:GHLEE:2002:AE3947
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.H.A. Fransen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van rekenvermogen bij huursubsidie en toepassing recht van gebruik en bewoning
Belanghebbende had zijn woning verkocht aan zijn kinderen onder voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning. De woning werd door hem en zijn echtgenote bewoond op 1 januari 1999 en 1 januari 2000. De inspecteur stelde het rekenvermogen van belanghebbende vast, waarbij 80% van de WOZ-waarde van de woning werd meegerekend als bezitting. Belanghebbende voerde aan dat het hier een tijdelijk recht van gebruik betrof en dat de woning niet als bezitting moest worden aangemerkt. Tevens beriep hij zich op het vertrouwensbeginsel, omdat hij op basis van verstrekte informatie meende dat alleen banksaldi relevant waren voor de huursubsidie.
Het hof overwoog dat op grond van de Wet op de vermogensbelasting en de Huursubsidiewet het recht van gebruik en bewoning, ondanks dat het tijdelijk was, toch als bezitting moet worden aangemerkt omdat belanghebbende een bloedverwant was die de woning zelf bewoonde. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat de inspecteur slechts belast is met het onderzoeken van de juistheid van de opgegeven gegevens en geen uitlatingen had gedaan waarop belanghebbende een beroep kon doen.
Het hof concludeerde dat de inspecteur terecht het rekenvermogen had vastgesteld inclusief 80% van de WOZ-waarde van de woning en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vaststelling van het rekenvermogen inclusief de woning als bezitting.