ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6104
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Vellinga
- Huisman
- Van Dijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring in bestuursstrafzaak wegens termijnoverschrijding
Betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie inzake een bestuursstraf met een sanctie van ƒ 60,-. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Betrokkene ging in hoger beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.
Het hof beoordeelde dat volgens artikel 14 WAHV Pro hoger beroep alleen mogelijk is indien de sanctie meer dan ƒ 150,- bedraagt of bij niet-ontvankelijkverklaring wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid. Omdat de sanctie hier lager was dan ƒ 150,-, bood de WAHV geen mogelijkheid tot hoger beroep. Wel overwoog het hof dat het recht op toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM Pro) vereist dat betrokkene in hoger beroep wordt ontvangen indien hij stelt ten onrechte niet-ontvankelijk te zijn verklaard.
Betrokkene stelde dat hij tijdig beroep had ingesteld, onder meer met een brief van 23 oktober 2000. Het hof oordeelde dat op die datum de beslissing van de officier van justitie nog niet tot stand was gekomen, zodat die brief geen tijdig beroepschrift was. Het beroepschrift gedateerd 20 januari 2001 werd pas op 2 april gepost en op 3 april ontvangen, dus te laat. De stelling dat de officier van justitie door een brief van 6 april 2001 de beroepstermijn had laten vervallen, werd verworpen.
De sanctie werd onherroepelijk op 24 februari 2001, waarna een verhoging van 25% volgde wegens te late betaling. Betrokkene betaalde de verhoogde sanctie op 10 april 2001 en een bedrag van ƒ 60,- op 11 april 2001, zodat restitutie van ƒ 60,- moest plaatsvinden. Het hof verwierp het hoger beroep en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene wordt bevestigd.