ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6261

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
17 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02/00316
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
  • Dijkstra
  • Weenink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WAHVArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:24 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid hoger beroep tegen beslissing officier van justitie inzake WAHV

Het gerechtshof Leeuwarden behandelde het hoger beroep van betrokkene tegen een beslissing van de officier van justitie, waarbij de kantonrechter het beroep eerder ongegrond had verklaard. De kern van het geschil betrof de ontvankelijkheid van het hoger beroep, met name of het beroepschrift tijdig was ingediend conform de wettelijke termijnen.

De bestreden beslissing was op 18 januari 2002 aan betrokkene toegezonden. Het beroepschrift was gedateerd 27 februari 2002, met een ontvangststempel van 5 maart 2002 bij de griffie, en een poststempel van 2 maart 2002 op de enveloppe. De beroepstermijn eindigde op 1 maart 2002. Hoewel de advocaat-generaal het beroep niet ontvankelijk achtte, oordeelde het hof dat het niet is uit te sluiten dat de brief op 1 maart ter post is gegeven, waardoor het beroep tijdig is ingediend.

Het hof besloot daarom betrokkene ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep en gaf de advocaat-generaal de gelegenheid een nader verweerschrift in te dienen binnen vier weken. De zaak werd aangehouden voor verdere beslissing. Dit arrest werd gewezen door de rechters Vellinga, Dijkstra en Weenink.

Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het hoger beroep ontvankelijk en stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid een nader verweerschrift in te dienen.

Uitspraak

WAHV 02/00316
17 juli 2002
CJIB 38198434
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam
van 18 januari 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge art. 14, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de artt. 6:24, 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden. Voorts bepaalt het te dezen toepasselijke art. 6:9 Awb Pro dat het beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, alsmede dat bij verzending per post het beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
3.2. De bestreden beslissing is blijkens de daarop geplaatste mededeling op 18 januari 2002 aan de betrokkene toegezonden.
Het beroepschrift, gedateerd 27 februari 2002, is blijkens het daarop geplaatste stempel op 5 maart 2002 ter griffie van de rechtbank ontvangen, terwijl de enveloppe waarin het beroepschrift is verzonden blijkens het daarop geplaatste poststempel op 2 maart 2002 is afgestempeld.
3.3. De laatste dag van de beroepstermijn was 1 maart 2002. Aangezien niet uit te sluiten valt, dat een op 2 maart 2002 afgestempelde brief op 1 maart 2002 ter post is bezorgd, acht het hof, - anders dan de advocaat-generaal -, de betrokkene ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep, nu het beroepschrift niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
3.4. Het hof zal in verband met het bovenstaande de advocaat-generaal in de gelegenheid stellen een nader verweerschrift in te dienen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
alvorens verder te beslissen:
stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid binnen vier weken een nader verweerschrift in te dienen.
Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Dijkstra en Weenink in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.