ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6532

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
26 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-00260
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 RVV 1990
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging administratieve sanctie voor gebruik verdrijvingsvlak bij invoegen

Het gerechtshof Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch, waarbij betrokkene een administratieve sanctie van 250 gulden kreeg opgelegd voor het gebruik van een verdrijvingsvlak op de Udenseweg te Veghel op 14 juni 2001.

De gemachtigde van betrokkene erkende de gedraging, maar voerde aan dat het gebruik van het verdrijvingsvlak noodzakelijk was om een aanrijding met een vrachtwagen te voorkomen, omdat het invoegen op de rechterrijstrook werd belemmerd. Zij stelde dat de sanctie niet in verhouding stond tot de ernst van de gedraging en dat het verdrijvingsvlak juist bedoeld was voor dergelijke situaties.

Het hof oordeelde dat de bestuurder tijdig had moeten invoegen en dat het gedrag van andere weggebruikers niet aannemelijk maakte dat dit onmogelijk was. Verder is het gebruik van het verdrijvingsvlak volgens artikel 77 RVV Pro 1990 verboden, ongeacht of gevaar werd veroorzaakt. Het ontbreken van gevaar leidt niet automatisch tot matiging van de sanctie.

Daarom bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en handhaafde de opgelegde administratieve sanctie van 250 gulden.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de administratieve sanctie van 250 gulden voor het gebruik van het verdrijvingsvlak.

Uitspraak

WAHV 02/00260
26 juni 2002
CJIB 69043018225
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch
van 23 januari 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 250,-- opgelegd ter zake van "als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken", welke gedraging zou zijn verricht op 14 juni 2001 op de Udenseweg te Veghel.
3.2. De gemachtigde van de betrokkene - die het voertuig bestuurde - ontkent niet de gedraging te hebben verricht. Zij stelt zich echter op het standpunt dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel, dat gelet op de omstandigheden waarin zij verkeerde, een lager bedrag dan de opgelegde administratieve sanctie vastgesteld had moeten worden. Hiertoe voert zij aan, dat op het moment waarop zij op de rechter rijstrook wilde invoegen de bestuurder van een voertuig op deze rijstrook haar onvoldoende ruimte liet om in te voegen terwijl op korte afstand achter haar een vrachtwagen reed. De betrokkene zag zich in deze situatie genoodzaakt om al remmend het verdrijvingsvlak op de linkerrijstrook te gebruiken teneinde een aanrijding met de vrachtwagen te voorkomen, de verkeersveiligheid bevorderend. Gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, zo stelt de betrokkene, staat de hoogte van de opgelegde sanctie derhalve niet in verhouding tot de ernst van de gedraging.
3.3. In het zaakoverzicht en het commentaar van de verbalisant d.d. 28 augustus 2001 staat vermeld hetgeen de verbalisant heeft geconstateerd. Dit houdt - zakelijk weergegeven - in dat het voertuig van de betrokkene op de Udense weg reed, de rijrichting Mariaheide volgde en dat het voertuig met 4 wielen over het verdrijvingsvlak reed.
3.4. De betrokkene stelt, dat het bewuste verdrijvingsvlak zich bevond ongeveer honderd meter na een kruising en dat de rijbaan daar van twee rijstroken werd versmald tot één rijstrook. In die omstandigheden kan van een bestuurder van een voertuig, dat - zoals het voertuig van de betrokkene - zich op de linkerstrook van de twee rijstroken bevindt, worden gevergd, dat hij zo tijdig invoegt tussen het verkeer op de rechter rijstrook, dat hij geen gebruik behoeft te maken van het verdrijvingsvlak. Daarbij dient de bestuurder er rekening mee te houden dat er - anders dan uit oogpunt van een veilige en vlotte verkeersafwikkeling aangewezen is - niet meteen op het door hem gewenste ogenblik daartoe door het verkeer op de rechter rijstrook gelegenheid wordt gegeven. Gelet op de door de betrokkene genoemde afstand van ongeveer honderd meter tussen de kruising en het verdrijvingsvlak is niet aannemelijk geworden, dat het gedrag van de bestuurders van de naast en achter het voertuig van de betrokkene rijdende voertuigen de bestuurder van het voertuig van de betrokkene belette aan diens hiervoor omschreven verplichting te voldoen.
3.5. Voorts stelt de betrokkene dat voor situaties als de onderhavige het gebruik van een verdrijvingsvlak juist is bedoeld. Nu ingevolge art. 77 RVV Pro 1990 elk gebruik van het verdrijvingsvlak door bestuurders is verboden, vindt deze stelling geen steun in het recht.
3.6. Aan het verzoek van de betrokkene aan de verbalisant met betrekking tot hetgeen deze bij het constateren van de gedraging als gevaarzetting had vastgesteld gaat het hof voorbij, nu het voor het verrichten van de gedraging van art. 77 RVV Pro 1990 niet van belang is of het verkeer al dan niet in gevaar is gebracht. Bovendien leidt het ontbreken van gevaar niet zonder meer tot een lagere sanctie.
3.7. Gelet op het vorenoverwogene is niet gebleken van omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden die het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel tot matiging van de opgelegde sanctie dienen te leiden.
3.8. Derhalve dient de beslissing van de kantonrechter bevestigd te worden.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Vellinga, in tegenwoordigheid van mr. Muntinga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.