ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6535

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
26 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02/00356
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
  • Kalsbeek
  • Van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 KentekenreglementArt. 2, eerste lid, WAHV
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen administratieve sanctie gebruik ongeldig handelaarskenteken

De betrokkene werd door de kantonrechter veroordeeld voor het niet op de voorgeschreven wijze gebruiken van een handelaarskenteken, een overtreding van artikel 44 van Pro het Kentekenreglement. De sanctie betrof een boete van 136,13 euro wegens het voeren van een ongeldig handelaarskenteken op een voertuig op 15 oktober 2000.

De betrokkene voerde aan dat de ongeldige kentekenplaat door een douanebeambte was afgegeven en dat hij abusievelijk de ongeldige plaat aan de achterkant van het voertuig had geplaatst. Ook verwees hij naar slechte weersomstandigheden die de situatie hadden beïnvloed. Het gerechtshof constateerde dat de betrokkene reed met een voertuig voorzien van een ongeldig verklaard handelaarskenteken.

Het hof benadrukte dat artikel 44 van Pro het Kentekenreglement voorschriften geeft over het gebruik van handelaarskentekens door degene aan wie het kenteken is opgegeven. Het gedrag van de betrokkene viel hier niet onder, omdat het kenteken ongeldig was verklaard. Daarom stelde het hof de advocaat-generaal in de gelegenheid om te bepalen of het gedrag van de betrokkene een gedraging in de zin van artikel 2, eerste lid, van de WAHV oplevert en welke consequenties daaraan verbonden moeten worden.

Het arrest bepaalt dat de stukken aan de advocaat-generaal worden overgelegd en dat de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld om te reageren op het standpunt van de advocaat-generaal binnen een termijn van vier weken na verzending.

Uitkomst: Het gerechtshof stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid zich uit te laten over de kwalificatie van het gedrag van betrokkene en de daaraan te verbinden gevolgen.

Uitspraak

WAHV 02/00356
26 juni 2002
CJIB 38446519
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te [woonplaats]
van 15 februari 2002
betreffende
R[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te Rotterdam,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. M.N.R. Nasrullah,
gevestigd te Rotterdam.
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 300,- (Euro€ 136,13) opgelegd ter zake van "als kentekenhouder het handelaars-kenteken niet op de voorgeschreven wijze gebruiken", welke gedraging zou zijn verricht op 15 oktober 2000 op de Rivierweg te Rhoon.
3.2. De aankondiging van beschikking d.d. 15 oktober 2001, het zaakoverzicht en het proces-verbaal van de verbalisant van 24 augustus 2001 houden -zakelijk weergegeven- in dat aan de voorzijde van het voertuig een handelaarskenteken werd gevoerd, dat bij navraag bleek dat dit een ongeldig kenteken was en dat aan de achterzijde geen kentekenplaat was gemonteerd.
3.3. De betrokkene voert aan, dat het voorval mede is te wijten aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De ongeldige kentekenplaat was door een douanebeambte aan de betrokkene afgegeven, aangezien hij de rechtmatige gebruiker was. De betrokkene heeft abusievelijk de ongeldige kentekenplaat aan de achterkant van het voertuig geplaatst. In dit verband wijst de betrokkene op de slechte weersomstandigheden ten tijde van de gedraging, die de gedraging mede in de hand hebben gewerkt.
3.4. Op grond van het relaas van de verbalisant en hetgeen betrokkene heeft aangevoerd in onderling verband en samenhang beschouwd staat vast dat de betrokkene heeft gereden met een motorrijtuig, dat was voorzien van een kentekenplaat met een handelaarskenteken dat - zoals de verbalisant het noemt - ongeldig was verklaard.
3.5. De onderhavige gedraging behelst een administratieve sanctie op het niet naleven van art. 44 Kentekenreglement Pro. Dit artikel luidt:
1. Een handelaarskenteken mag slechts worden gebruikt door degene aan wie het is opgegeven dan wel een door deze aangewezen persoon. Het gebruik is slechts toegestaan voor de categorie waarvoor het is opgegeven.
2. Een handelaarskenteken mag worden gebruikt voor voertuigen die ter bewerking of herstel aan degene aan wie het kenteken is opgegeven ter beschikking zijn gesteld.
3. Een handelaarskenteken moet worden gebruikt voor voertuigen die behoren tot de bedrijfsvoorraad van degene aan wie het kenteken is opgegeven.
4. Een handelaarskenteken mag uitsluitend worden gebruikt indien met het voertuig als bedoeld in het tweede en derde lid gebruik van de weg wordt gemaakt in het kader van bedrijfsactiviteiten van het erkende bedrijf of de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie het handelaarskenteken is opgegeven.
3.6. Art. 44 Kr Pro geeft voorschriften voor de wijze waarop degene aan wie een handelaarskenteken is opgegeven daarvan gebruik kan maken. Deze bepaling richt zich niet tot degene, die gebruik maakt van een handelaarskenteken doch aan wie dat kenteken niet is opgegeven en ook niet tot degene aan wie een handelaarskenteken is opgegeven doch waarvan de geldigheid is komen te vervallen.
3.7. Het voorgaande brengt mee, dat het gedrag van de betrokkene niet de gedraging oplevert "als kentekenhouder het handelaars-kenteken niet op de voorgeschreven wijze gebruiken". Daarom wordt de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld aan te geven of het gedrag van de betrokkene een gedraging in de zin van art. 2, eerste lid, WAHV oplevert en zoja welke gedraging en daaraan de gevolgtrekking te verbinden die hem geraden voorkomt.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid zich binnen vier weken na heden uit te laten over de vraag of en zoja welke gedraging in de zin van art. 2, eerste lid, WAHV het gedrag van de betrokkene oplevert en daaraan de gevolgtrekking te verbinden die hem geraden voorkomt;
stelt de stukken in handen van de advocaat-generaal;
bepaalt dat de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld op het standpunt van de advocaat-generaal te reageren, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending.
Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Kalsbeek en Van Dijk in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.