ECLI:NL:GHLEE:2002:AE7098

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
16 augustus 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-00339
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Weenink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WAHVArt. 11 lid 3 WAHV
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing kantonrechter inzake administratieve sanctie WAHV

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter te Arnhem, die zijn beroep tegen een administratieve sanctie ongegrond verklaarde. De opgelegde sanctie bedroeg 60 gulden, wat lager is dan de drempel van 70 euro voor hoger beroep volgens artikel 14 WAHV Pro.

De betrokkene klaagde dat hij niet behoorlijk was opgeroepen voor de zitting van 7 januari 2002, omdat de oproeping abusievelijk vermeldde dat de zitting op een dinsdag zou plaatsvinden, terwijl die dag in werkelijkheid een maandag was. Het hof onderzocht of deze onjuiste dagvermelding leidde tot schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

Het hof concludeerde dat de betrokkene wel degelijk op de hoogte kon zijn van de juiste datum, aangezien het proces-verbaal van de eerdere zitting duidelijk vermeldde dat de zaak was geschorst tot maandag 7 januari 2002. De onjuiste dagvermelding in de oproeping was onvoldoende reden om te concluderen dat de betrokkene niet behoorlijk was opgeroepen.

Daarom werd het beroep verworpen en bleef de beslissing van de kantonrechter in stand. De procedure werd behandeld zonder dat de betrokkene zelf aanwezig was, en het arrest werd gewezen door mr. Weenink.

Uitkomst: Het gerechtshof verwierp het hoger beroep en bevestigde de opgelegde administratieve sanctie van 60 gulden.

Uitspraak

WAHV 02/00339
16 augustus 2002
CJIB 34427060
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Arnhem
van 21 januari 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.
Na ontvangst van de reactie van de advocaat-generaal heeft de betrokkene opnieuw schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De zaak is behandeld ter zitting van 2 augustus 2002. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen dhr. W.K. Vlietstra. De betrokkene is niet verschenen.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV Pro kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan 70 euro, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt ƒ 60,00 (27,23 euro).
3.2. De betrokkene, die niet op de zitting van de kantonrechter van 7 januari 2002 is verschenen, klaagt erover dat hij niet behoorlijk voor deze zitting is opgeroepen, aangezien de oproeping als zittingsdatum vermeldt de niet bestaande dag "dinsdag 7 januari 2002".
3.3. Het hof is van oordeel dat (een beroep op) schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling, zoals schending van het beginsel van hoor en wederhoor, doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV wettigt. Indien een partij niet behoorlijk is opgeroepen om te worden gehoord en de rechter niettemin een beslissing in de zaak van die partij neemt, kan er naar het oordeel van het hof sprake zijn van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
3.4. Nu de opgelegde sanctie f 60,-- bedraagt en de betrokkene erover klaagt dat hij niet behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 7 januari 2002, dient het hof, gelet op het in 3.3 overwogene, te onderzoeken of
de betrokkene inderdaad niet behoorlijk is opgeroepen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
3.5. De betrokkene is door de griffier van het kantongerecht te Tiel opgeroepen om te verschijnen tegen de zitting van de kantonrechter op 7 augustus 2001 te 10.45 uur. Bij brief van 3 juni 2001 heeft de betrokkene de griffier verzocht wegens verblijf in Frankrijk een nieuwe datum voor de behandeling vast te stellen. Het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter te Tiel op 7 augustus 2002 houdt in, voor zover hier van belang, dat de kantonrechter de behandeling van de zaak schorst tot de zitting van maandag 7 januari 2002 te 10.00 uur. Blijkens een stempel op het proces-verbaal is een afschrift hiervan op 12 november 2001 verzonden naar de betrokkene. De betrokkene is bij schrijven van 12 november 2001door de griffier van het kantongerecht te Tiel opgeroepen om te verschijnen tegen de zitting van de kantonrechter op "dinsdag 7 januari 2002" te 10.00 uur.
3.6. De betrokkene voert niet aan, dat hij het afschrift van het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter op 7 augustus 2001 niet heeft ontvangen. Het hof houdt het er derhalve voor dat hij een afschrift van dit proces-verbaal heeft ontvangen. Nu dit proces-verbaal vermeldt, dat de behandeling van de zaak wordt geschorst tot maandag 7 januari 2002, kon de betrokkene op de hoogte zijn van de behandeling op 7 januari 2002. Hieraan kan niet afdoen de vermelding van "dinsdag 7 januari 2002" in de oproeping d.d. 12 november 2001. Immers, slechts de vermelding "dinsdag" is onjuist en het lag op de weg van de betrokkene om te informeren naar de datum van de behandeling, indien bij hem daaromtrent twijfel was gerezen. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene dergelijke informatie heeft ingewonnen.
3.7. Gelet op het hiervoor onder 3.6. overwogene kan niet gezegd worden dat de betrokkene niet behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 7 januari 2002. Voor doorbreking van het appelverbod is derhalve geen plaats. Het beroep zal worden verworpen.
3.8. De schriftelijke procedure voorziet niet in het ten tweede male schriftelijk een nadere toelichting geven op het beroep. Derhalve kan op de inhoud van de tweede toelichting - die overigens niet afdoet aan het vorenoverwogene - geen acht worden geslagen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.