ECLI:NL:GHLEE:2002:AE7583
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Vellinga
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet tijdig stellen van zekerheid bij WAHV
Betrokkene was in verzet gegaan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel uitgevaardigd door de officier van justitie. De kantonrechter verklaarde betrokkene niet-ontvankelijk in dat verzet. Betrokkene stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze beslissing.
Het gerechtshof beoordeelde of betrokkene tijdig zekerheid had gesteld, zoals vereist op grond van artikel 26a, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). De griffier had betrokkene erop gewezen dat binnen twee weken na verzending van de brief zekerheid moest worden gesteld door storting van een bedrag op de rekening van het CJIB. Deze termijn werd niet gehaald; de storting vond later plaats.
De advocaat van betrokkene voerde aan dat de Wet Mulder voor burgers onaangenaam is vanwege de korte termijnen, maar dit werd door het hof niet als verontschuldigbare reden aanvaard. Het hof oordeelde dat redelijkerwijs niet kon worden geoordeeld dat betrokkene niet in verzuim was geweest en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet tijdig stellen van de vereiste zekerheid.