ECLI:NL:GHLEE:2002:AE7583

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
28 augustus 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-00254
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26a WAHV
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet tijdig stellen van zekerheid bij WAHV

Betrokkene was in verzet gegaan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel uitgevaardigd door de officier van justitie. De kantonrechter verklaarde betrokkene niet-ontvankelijk in dat verzet. Betrokkene stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze beslissing.

Het gerechtshof beoordeelde of betrokkene tijdig zekerheid had gesteld, zoals vereist op grond van artikel 26a, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). De griffier had betrokkene erop gewezen dat binnen twee weken na verzending van de brief zekerheid moest worden gesteld door storting van een bedrag op de rekening van het CJIB. Deze termijn werd niet gehaald; de storting vond later plaats.

De advocaat van betrokkene voerde aan dat de Wet Mulder voor burgers onaangenaam is vanwege de korte termijnen, maar dit werd door het hof niet als verontschuldigbare reden aanvaard. Het hof oordeelde dat redelijkerwijs niet kon worden geoordeeld dat betrokkene niet in verzuim was geweest en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet tijdig stellen van de vereiste zekerheid.

Uitspraak

WAHV 02/00254
28 augustus 2002
CJIB 25268189
Gerechtshof te Leeuwarden
Beschikking
op het hoger beroep tegen de beschikking
van de kantonrechter te Utrecht
van 7 januari 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt mr. E.D.B.Groeneweg, advocaat te Utrecht.
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 29 maart 2000 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Bij brief van 11 februari 2002, verzonden op eveneens 11 februari 2002, heeft de griffier van de rechtbank te Utrecht (de gemachtigde van) de betrokkene er op gewezen dat hij binnen twee weken na verzending van die brief zekerheid dient te stellen door storting van een bedrag van 27,23 euro op de rekening van het CJIB te Leeuwarden.
Blijkens opgave van het CJIB is dat bedrag bij het CJIB binnengekomen op donderdag 28 februari 2002. De zekerheid is dus niet gesteld binnen de door de griffier in diens brief van 11 februari 2002 genoemde termijn.
3.2. Art. 26a, tweede lid, WAHV houdt in dat indien de zekerheid niet is gesteld binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling van de griffier, waarbij deze de betrokkene wijst op diens verplichting tot zekerheidstelling, het beroep niet ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.
3.3. Ten aanzien van de verontschuldigbaarheid van de overschrijding van genoemde termijn heeft de gemachtigde van de betrokkene aangevoerd dat de Wet Mulder voor de burger te goeder trouw een zeer onaangename wet is, met name vanwege de korte termijnen. Deze omstandigheid kan echter niet leiden tot het oordeel, dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest. De betrokkene moet derhalve niet ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vellinga in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.