ECLI:NL:GHLEE:2002:AE7804
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- Pruiksma
- Drion
- Fransen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waarde landerijen voor inkomstenbelasting na overlijden ondernemer
De zaak betreft een geschil over de waardering van landerijen die toebehoorden aan een overleden ondernemer voor de inkomstenbelasting over 1996. De belanghebbenden stelden dat de waarde van de landerijen niet hoger mocht zijn dan de minnelijke waardering voor het successierecht van 1.428.000 gulden, dan wel de WEVAB-waarde van 1.591.000 gulden. De inspecteur stelde de waarde echter vast op de verkoopprijs van 7.000.000 gulden die de erven op 18 juli 1996 realiseerden bij verkoop aan een consortium van projectontwikkelaars.
Het hof overwoog dat volgens artikel 15, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de waarde van het vermogen van de onderneming bij overlijden moet worden bepaald op de prijs die bij vrije verkoop kan worden gerealiseerd. De minnelijke waardering voor het successierecht kon niet als uitgangspunt dienen omdat deze was gebaseerd op onjuiste en onvolledige informatie en een ander belastingdoel had. Bovendien was de minnelijke waardering bewust onvolledig ingevuld, waardoor geen beroep op opgewekt vertrouwen kon worden gedaan.
De verkoopprijs van 7 miljoen gulden, behaald vijf maanden na het overlijden, werd als de juiste waarde in het economisch verkeer beschouwd. Het hof wees het beroep af en bevestigde dat de inspecteur de overlijdenswinst niet te hoog had vastgesteld. Er was geen aanleiding om af te wijken van de verkoopprijs als waarderingsgrondslag, ook niet gezien de gestegen waarde van agrarische gronden voor stadsuitbreiding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting wordt gehandhaafd op basis van de verkoopprijs van 7 miljoen gulden.