ECLI:NL:GHLEE:2002:AE8143

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
18 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-00631
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Huisman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WAHV
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late zekerheidstelling WAHV

Betrokkene was door de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken zekerheid te stellen voor de betaling van een administratieve sanctie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Ondanks dat betrokkene stelt dat het bedrag op 27 mei 2002 is afgeschreven, was dit te laat aangezien de termijn uiterlijk op 22 mei 2002 afliep.

De kantonrechter had het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard omdat de zekerheid niet binnen de gestelde termijn was gesteld en dit verzuim niet was hersteld. Betrokkene voerde aan dat de feestdagen rondom Hemelvaart en Pinksteren de verwerking hadden vertraagd, maar het hof oordeelde dat noch de wet noch de wetsgeschiedenis een verlenging van de termijn bij feestdagen toestaat.

Ook als de termijn met feestdagen zou worden verlengd, was betrokkene alsnog te laat geweest. Het hof concludeerde dat betrokkene redelijkerwijs in verzuim was en bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter. Het beroep blijft niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig voldoen aan de zekerheidstelling.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens te late zekerheidstelling.

Uitspraak

WAHV 02/00631
18 september 2002
CJIB 45801500
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Utrecht
van 20 juni 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en dat de betrokkene evenmin binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld, het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.
3.2. Ingevolge art. 11 WAHV Pro, derde lid, heeft de officier van justitie de betrokkene bij brief d.d. 21 maart 2002 en bij brief d.d. 8 mei 2002 in de gelegenheid gesteld om het bedrag aan zekerheid binnen twee weken na verzending van de brief te betalen.
3.3. De betrokkene stelt, dat zij nadat zij de zekerheidsbrief d.d. 8 mei 2002 had ontvangen het te betalen bedrag aan zekerheid heeft overgemaakt en dat het bedrag op 27 mei 2002 van haar rekening is afgeschreven. Het bedrag had weliswaar op 22 mei 2002 overgemaakt moeten zijn, maar de onderhavige omstandigheden brengen mee dat zij niet in verzuim is, nu 8 mei 2002 de woensdag was voorafgaand aan het hemelvaartweekend en het het weekend daarop pinksterweekend was, waardoor de verwerking van de post mogelijk anders was dan in een periode zonder feestdagen, waardoor zij - gelet op voorafgaande - slechts drie werkdagen te laat het bedrag heeft overgemaakt.
3.4. Nu volgens de betrokkene het bedrag aan zekerheid op 27 mei 2002 is overgemaakt en ingevolge art. 11, derde lid, WAHV de zekerheid uiterlijk gesteld had moeten zijn op 22 mei 2002, is de zekerheid te laat gesteld.
3.5. Noch in de tekst van de wet, noch in de wetsgeschiedenis zijn aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat de termijn van twee weken, waarbinnen de zekerheid gesteld dient te zijn, verlengd moet worden als binnen die termijn feestdagen vallen. Ook al zou het vorenoverwogene anders zijn, dan zou dit de betrokkene nog niet hebben kunnen baten, nu de betrokkene - zoals de betrokkene zelf ook in haar beroepschrift vermeldt - ook als de termijn verlengd zou worden met het aantal feestdagen te laat het bedrag heeft overgemaakt. Naar het oordeel van het hof is niet sprake van omstandigheden, waardoor de betrokkene redelijkerwijs niet in verzuim is geweest.
3.6. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. Bennen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.