ECLI:NL:GHLEE:2002:AF0881

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
5 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02/00811
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Dijkstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van de beslissing van de kantonrechter inzake administratieve sanctie voor het rijden over de vluchtstrook

In deze zaak heeft het Gerechtshof Leeuwarden op 5 november 2002 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, die op 21 augustus 2002 het beroep van de betrokkene ongegrond had verklaard. De betrokkene, die een administratieve sanctie had ontvangen voor het rijden over de vluchtstrook, stelde dat de sanctie buitenproportioneel was en dat deze op nihil gesteld zou moeten worden. De betrokkene had op 3 oktober 2001 op de Rijksweg A13 West te Delft een overtreding begaan door over de vluchtstrook te rijden, wat in strijd is met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

Het hof overwoog dat de betrokkene niet ontkende de overtreding te hebben begaan, maar stelde dat de omstandigheden waaronder dit gebeurde, niet onder de noodgevallen vielen zoals bedoeld in de wet. De betrokkene had geprobeerd een stilstaande auto te passeren, maar het hof oordeelde dat dit niet voldoende was om de sanctie te matigen. Bovendien werd opgemerkt dat de officier van justitie niet tijdig had beslist, maar dat dit niet leidde tot vernietiging van de inleidende beschikking.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en oordeelde dat de opgelegde sanctie gerechtvaardigd was. De uitspraak benadrukt het belang van het naleven van verkeersregels en de beperkte ruimte voor eigen interpretatie door weggebruikers. De beslissing van het hof is een bevestiging van de noodzaak om verkeersveiligheid te waarborgen, ongeacht de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.

Uitspraak

WAHV 02/00811
5 november 2002
CJIB 49046542672
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage
van 21 augustus 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 310,- (= Euro 140,67) opgelegd ter zake van "als weggebruiker buiten noodzaak over de vluchtstrook of vluchthaven rijden", feitcode R465A, welke gedraging zou zijn verricht op 3 oktober 2001 op de Rijksweg A13 West te Delft.
3.2. De betrokkene ontkent niet dat hij als weggebruiker over de vluchtstrook heeft gereden. De betrokkene stelt zich echter op het standpunt dat de opgelegde sanctie buitenproportioneel is en dat de sanctie op nihil gesteld zou moeten worden, althans in aanzienlijke mate gematigd. De betrokkene voert hiertoe het volgende aan. De betrokkene reed met zijn auto over een afstand van ongeveer tien meter gedeeltelijk over de vluchtstrook langs de in-/uitvoegstrook op ongeveer 500 meter van de uitrit Delft-Noord op de A13. Op dat ogenblik stond voor hem een auto stil die voornemens was om in te voegen in de file richting Rotterdam. De in-/uitvoegstrook was voor het overige geheel verlaten. De bedoeling van de betrokkene was om de voor hem stilstaande auto te passeren om zijn weg over de in-/uitvoegstrook te kunnen vervolgen. Verder voert de betrokkene aan dat hij met deze handeling geen enkele andere weggebruiker heeft gehinderd of in gevaar gebracht. Tenslotte voert de betrokkene nog aan, dat de officier van justitie niet tijdig op het beroep heeft beslist.
3.3. De in feitcode R465A vermelde gedraging is een overtreding van art. 43, derde lid, RVV 1990, dat luidt als volgt:
"Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm."
3.4. Hetgeen de betrokkene aanvoert als reden om gebruik te maken van de vluchtstrook, valt niet onder hetgeen te beschouwen is als een noodgeval in de zin van art. 43, derde lid RVV 1990.
3.5. Met betrekking tot de eigen invulling die de betrokkene wenst te geven aan de reikwijdte van het bovenstaande verbod, met name in het licht van hetgeen door hem wordt opgemerkt ten aanzien van het zijns inziens ontbreken van hinder of gevaar voor andere weggebruikers, overweegt het hof het volgende. Bij de invoering van het RVV 1990 is in vergelijking met het RVV 1966 als uitgangspunt gekozen, dat niet voor iedere denkbare situaties concrete voorschriften worden beoogd, maar dat de wetgeving moet worden beperkt tot de basisregels. De nota van toelichting op het RVV 1990 houdt in dit verband onder meer in: "Bij het opstellen van het RVV 1990 is geprobeerd een evenwicht te vinden tussen wat voorgeschreven moet worden en wat aan het inzicht van de verkeersdeelnemers overgelaten dient te worden. De optelsom moet zijn: een veilig en ordelijk verloop van het verkeer. Zo is er aantal basisregels uit de bus gekomen waaraan in beginsel onder alle omstandigheden moet worden voldaan". De wetgever heeft dus ten aanzien van de in het RVV 1990 opgenomen regels niet willen weten van een handelen naar eigen inzicht als door de betrokkene voorgestaan.
3.6. Hetgeen de betrokkene aanvoert is derhalve niet van dien aard, dat geoordeeld zou moeten worden, dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat een lager bedrag van de sanctie zou moeten worden vastgesteld.
3.7. Ingevolge art. 7:24, eerste lid, Awb beslist het beroepsorgaan binnen zestien weken na ontvangst van het beroepschrift. Voorts kan ingevolge art. 7:24, vierde lid, Awb het beroepsorgaan de beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.
3.8. Op 14 november 2001 heeft het arrondissementsparket het beroepschrift van de betrokkene ontvangen. In casu heeft de officier van justitie zijn beslissing op grond van art. 7:24, vierde lid, Awb verdaagd met acht weken. Derhalve is 1 mei 2002 de uiterste datum waarop de officier van justitie ingevolge art. 7:24, eerste lid, Awb had dienen te beslissen. Nu de officier van justitie heeft beslist op 14 mei 2002, heeft dit niet plaatsgevonden binnen de termijn van art. 7:24, eerste lid, Awb. Uit de gedingstukken blijkt echter dat de officier van justitie de zaak diverse keren heeft aangehouden teneinde de betrokkene in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Blijkens zijn schrijven van 3 december 2001 had de betrokkene immers kenbaar gemaakt gebruik te maken van zijn recht om te worden gehoord. Dat de officier van justitie niet binnen de hem gestelde termijn heeft beslist, valt derhalve niet geheel aan hem te wijten.
3.9. Maar ook al zou dat wel het geval zijn, dan nog verbindt de wet - anders dan de betrokkene wil - aan overschrijding van de termijn van art. 7:24, eerste lid, Awb niet het gevolg, dat de inleidende beschikking wordt vernietigd. Een overschrijding van deze termijn laat onverlet dat nog steeds op het beroepschrift kan worden beslist (vgl. de Memorie van Toelichting op art. 7:10 Awb, Kamerstukken II, 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 152) zij het dat de betrokkene niet de beslissing van de officier van justitie behoeft af te wachten maar ingevolge art. 6:12 Awb in beroep kan gaan bij de kantonrechter.
3.10. Op grond van het hierboven overwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.