ECLI:NL:GHLEE:2002:AF0884

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
5 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-00743
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Dijkstra
  • J. Hiemstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van de beslissing van de kantonrechter inzake administratieve sanctie voor het rijden over de vluchtstrook

In deze zaak heeft het Gerechtshof Leeuwarden op 5 november 2002 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam, die op 14 juni 2002 het beroep van de betrokkene ongegrond had verklaard. De betrokkene, die op 6 september 2001 over de vluchtstrook van de Rijksweg A20 te Rotterdam had gereden, was eerder door de officier van justitie beboet met een administratieve sanctie van ƒ 310,-- (€ 140,67) voor deze overtreding. De betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn handelen niet als een overtreding moet worden beschouwd, omdat hij geen hinder of gevaar voor andere weggebruikers zou hebben veroorzaakt en dat hij de vluchtstrook had gebruikt om een file te vermijden.

Het hof heeft de argumenten van de betrokkene beoordeeld en geconcludeerd dat het rijden over de vluchtstrook, behoudens noodgevallen, in strijd is met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene niet in een noodgeval verkeerde en dat zijn argumenten niet voldoende waren om de opgelegde sanctie te matigen of te vernietigen. De betrokkene ontkende niet dat hij over de vluchtstrook had gereden, maar stelde dat zijn handelen een nuttiger gebruik van de vluchtstrook was. Het hof heeft echter geoordeeld dat de wetgeving niet toestaat dat weggebruikers naar eigen inzicht handelen in dergelijke situaties.

Uiteindelijk heeft het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigd, waarmee de administratieve sanctie van kracht blijft. Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 november 2002.

Uitspraak

WAHV 02/00743
5 november 2002
CJIB 19045187354
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam
van 14 juni 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ƒ 310,-- (€ Euro 140,67) opgelegd ter zake van "als weggebruiker buiten noodzaak over de vluchtstrook of vluchthaven rijden", feitcode R465a, welke gedraging zou zijn verricht op 6 september 2001 op de Rijksweg A20 (O-W) te Rotterdam.
3.2. De betrokkene ontkent niet dat hij als weggebruiker over de vluchtstrook heeft gereden. Hij is echter van oordeel dat zijn handelwijze, - in casu het rijden over een afstand van enkele honderden meters over de vluchtstrook vanaf het door hem bezochte tankstation naar de uitvoegstrook van Capelle a/d/ IJssel -, als een individuele toepassing van nuttiger gebruik van de vluchtstrook in Nederland dient te worden beschouwd en als zijn bijdrage aan het verkorten van de file. Voorts is hij van mening, dat hij met deze handeling geen enkele andere weggebruiker heeft gehinderd of in gevaar gebracht. Verder stelt hij, dat hij ooit geleerd heeft, dat gebruik van de vluchtstrook als uitloop van de invoegstrook is toegestaan. Hij is van oordeel, dat de sanctie op nihil gesteld zou moeten worden, althans in aanzienlijke mate gematigd.
3.3. De in feitcode R 465a vermelde gedraging is een overtreding van art. 43, derde lid, RVV1990, dat luidt als volgt:
"Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm."
3.4. Hetgeen de betrokkene aanvoert als reden om gebruik te maken van de vluchtstrook, hetgeen er in de kern van de zaak op neer komt, dat hij de file wenste te ontwijken, valt niet onder hetgeen te beschouwen is als een noodgeval in de zin van art. 43, derde lid RVV 1990. Ook het in dit verband door de betrokkene aangevoerde gebruik maken van de vluchtstrook als "uitloop van de invoegstrook" is in strijd met het in dit artikellid bepaalde, nog daargelaten overigens, dat in het onderhavige geval van een dergelijk gebruik geen sprake was.
3.5. Met betrekking tot de eigen invulling die de betrokkene wenst te geven aan de reikwijdte van het bovenstaande verbod, met name in het licht van hetgeen door hem wordt opgemerkt ten aanzien van het zijns inziens ontbreken van hinder of gevaar voor andere weggebruikers, overweegt het hof het volgende.
Bij de invoering van het RVV 1990 is in vergelijking met het RVV 1966 als uitgangspunt gekozen, dat niet voor iedere denkbare situaties concrete voorschriften worden beoogd, maar dat de wetgeving moet worden beperkt tot de basisregels. De nota van toelichting op het RVV 1990 houdt in dit verband onder meer in: "Bij het opstellen van het RVV 1990 is geprobeerd een evenwicht te vinden tussen wat voorgeschreven moet worden en wat aan het inzicht van de verkeersdeelnemers overgelaten dient te worden. De optelsom moet zijn: een veilig en ordelijk verloop van het verkeer. Zo is er aantal basisregels uit de bus gekomen waaraan in beginsel onder alle omstandigheden moet worden voldaan". De wetgever heeft dus ten aanzien van de in het RVV 1990 opgenomen regels niet willen weten van een handelen naar eigen inzicht als door de betrokkene voorgestaan.
3.6. Hetgeen de betrokkene aanvoert is derhalve niet van dien aard, dat geoordeeld zou moeten worden, dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat een lager bedrag van de sanctie zou moeten worden vastgesteld.
3.7. Het hof overweegt in verband met een opmerking van de betrokkene in de nadere toelichting van het hoger beroep nog, dat als gevolg van een kennelijke vergissing in het verweerschrift van de advocaat-generaal eenmaal de aanduiding "gemachtigde van de betrokkene" is genoemd in plaats van de betrokkene.
3.8. Op grond van het hierboven overwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.