ECLI:NL:GHLEE:2002:AF1076

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
20 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-00835
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 72 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging administratieve sanctie wegens verlopen keuringsbewijs motorvoertuig

Betrokkene werd een administratieve sanctie opgelegd wegens het rijden met een motorvoertuig waarvan het keuringsbewijs zijn geldigheid had verloren op 31 mei 2000. De betrokkene voerde aan dat zij door omstandigheden, waaronder ontruiming en opslag van haar spullen door de huiseigenaar, niet in staat was het kentekenbewijs te vinden.

Zij stelde dat het onredelijk was om haar hiervoor te sanctioneren en verwees naar een eerdere sanctie voor dezelfde gedraging die door de kantonrechter op nihil was gesteld. Het hof overwoog dat de keuringsplicht een zorgplicht inhoudt en dat van betrokkene verwacht mocht worden dat zij voldoende inspanningen zou verrichten om aan deze verplichting te voldoen, bijvoorbeeld door contact op te nemen met de RDW.

Het hof oordeelde dat de persoonlijke omstandigheden niet zodanig waren dat het opleggen van de sanctie onbillijk was en dat de eerdere nihilstelling geen recht gaf op het vertrouwen dat een volgende sanctie eveneens zou worden gematigd. Daarom werd de beslissing van de kantonrechter bevestigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de administratieve sanctie van €81,68 wegens het verlopen keuringsbewijs.

Uitspraak

WAHV 02/00835
20 november 2002
CJIB 36215417
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam
van 12 februari 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 180,- (= Euro€ 81,68) opgelegd ter zake van "voor het motorrijtuig van 3500 KG of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren", welke gedraging zou zijn verricht op 31 mei 2000.
3.2. Niet in geschil is dat het betreffende voertuig ten tijde van de gedraging niet gekeurd was.
3.3. De betrokkene is echter van oordeel dat de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten worden vastgesteld. Hiertoe voert de betrokkene aan, dat haar etage in februari 1999 door de huiseigenaar is ontruimd en dat haar spullen zijn opgeslagen bij haar dochter die boven de etage van de betrokkene woonde. In juni 1999 heeft de huiseigenaar ook de etage van de dochter van de betrokkene ontruimd. De huiseigenaar heeft alle spullen, waaronder deel I en II van het kentekenbewijs, opgeslagen in containers. De betrokkene stelt dat het voor haar onmogelijk was om in de vele containers te zoeken naar deel I en II van het kentekenbewijs. De betrokkene voert verder aan, dat aan haar voor dezelfde gedraging als voormeld, gepleegd op 9 februari 2000, eveneens een sanctie is opgelegd en dat de kantonrechter de sanctie bij beslissing van 11 juni 2001 op nihil heeft gesteld. De betrokkene zou aanvankelijk reeds per 1 mei 2000 gaan verhuizen. Door omstandigheden is zij echter pas met ingang van 5 juli 2001 verhuisd. Enige weken daarna heeft zij deel I en II van het kentekenbewijs weer kunnen vinden.
3.4. Art. 72, tweede lid, van de Wegenverkeerswet (WVW) bepaalt voor zover in deze zaak van belang:
"Het keuringsbewijs dient:
a. (....)
b. zijn geldigheid niet te hebben verloren,
c. (...)"
De keuring van voertuigen is in het leven geroepen met het oog op de verkeersveiligheid van weggebruikers. Op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de keuringsplicht bestaat er een zorgplicht voor automobilisten om tijdig hun voertuig te laten keuren. Van de betrokkene mocht worden verwacht dat zij de nodige inspanningen zou hebben verricht om zich in staat te stellen aan de keuringsplicht te voldoen, door toch naar de delen I en II van het kentekenbewijs te zoeken en wanneer zij niet in was geslaagd ze op te sporen of daartoe in de feitelijke onmogelijkheid verkeerde contact op te nemen met de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) te Veendam teneinde voor het probleem een oplossing te zoeken.
3.5. Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden niet van dien aard zijn dat zij het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken noch dat de sanctie dient te worden gematigd. Dat een eerdere sanctie voor dezelfde gedraging op een andere datum door de kantonrechter op nihil is gesteld, doet hieraan niet af. De betrokkene mocht daaraan immers niet het vertrouwen moch ontlenen, dat een volgende sanctie, opgelegd voor de dezelfde gedraging en gepleegd onder dezelfde omstandigheden eveneens op nihil zou worden gesteld.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.