ECLI:NL:GHLEE:2002:AF1602

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
28 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-00800
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Dijk
  • Dijkstra
  • Weenink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WAHVArt. 26a WAHVArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-naleving griffierecht en zekerheidstelling WAHV

De betrokkene was in verzet gegaan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar werd door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald. Hiertegen stelde betrokkene hoger beroep in, waarbij zij stelde dat haar financiële draagkracht het niet mogelijk maakte om het griffierecht en de zekerheidstelling volledig te voldoen.

Het hof bevestigde dat volgens artikel 26a WAHV het hoger beroep slechts ontvankelijk is na betaling van het griffierecht en zekerheidstelling van het verschuldigde bedrag en kosten. Hoewel het hof overwoog dat deze verplichtingen mogelijk een ontoelaatbare beperking van het recht op toegang tot de rechter kunnen vormen, oordeelde het dat proces-economische redenen en het ontbreken van essentiële stukken (zoals het dwangbevel en exploot van betekening) meebrengen dat betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De betrokkene had de gevraagde stukken niet binnen de gestelde termijn overgelegd, ondanks herhaalde verzoeken en waarschuwingen. Haar financiële situatie bood geen grond om haar in verzuim te vrijwaren. Het hof zag geen reden om haar opnieuw in de gelegenheid te stellen aan de verplichtingen te voldoen, omdat een inhoudelijke behandeling niet tot een andere uitkomst zou leiden dan bevestiging van de niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens het niet voldoen aan griffierecht en zekerheidstelling volgens de WAHV.

Uitspraak

WAHV 02/00800
28 november 2002
CJIB 42969942
Gerechtshof te Leeuwarden
Beschikking
op het hoger beroep tegen de beschikking
van de kantonrechter van de rechtbank te Groningen
van 16 april 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld ter zitting van 14 november 2002. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen dhr. W.K. Vlietstra.
Na de zitting is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer
3. Beoordeling
3.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de aan het hof toegezonden stukken. Op 1 maart 2002 is aan de betrokkene door de griffier van de rechtbank een brief gezonden met de mededeling dat de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld om binnen 14 dagen na verzending van de brief afschriften over te leggen van het dwangbevel of de kennisgeving van verhaal en van het exploot van betekening daarvan. Voorts bevat de brief van de griffier de mededeling dat er een griffierecht verschuldigd is van Euro€ 82,-- en dat voor de betaling hiervan de betrokkene "een dezer dagen" een acceptgiro van de financiële afdeling van de gerechten te Groningen zal ontvangen. De betrokkene wordt er op gewezen dat op grond van wettelijke bepalingen binnen 14 dagen na verzending van de brief het griffierecht dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de gerechten.
Blijkens een uitdraai van de financiële afdeling van de gerechten te Groningen d.d. 15 april 2002 is het griffierecht niet betaald. Op 25 april 2002 heeft de kantonrechter uitspraak gedaan. De bestreden beschikking is op dezelfde datum toegezonden aan de betrokkene, die op 8 mei 2002 hoger beroep heeft ingesteld. Op 15 mei 2002 is aan de betrokkene een brief gezonden met de mededeling dat op grond van wettelijke bepalingen zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en al de kosten dient te geschieden binnen twee weken na verzending van de brief, en wel door storting op de rekening van het CJIB (366794), alsmede dat griffierecht verschuldigd is, hetgeen binnen twee weken na verzending van de brief dient te zijn bijgeschreven op de bankrekening van het arrondissement Groningen, dan wel ter griffie dient te zijn voldaan. Blijkens een brief van het CJIB d.d. 5 augustus 2002 aan de griffier van de rechtbank heeft de betrokkene niet dan wel niet volledig zekerheid gesteld voor het nog verschuldigde bedrag en de kosten en is het verschuldigde griffierecht niet voldaan.
3.2. Ingevolge art. 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht. De betrokkene heeft aangevoerd dat gelet op haar draagkracht niet van haar verlangd kan worden dat zij (geheel) zekerheid stelt en griffierecht betaalt. Te dezen is nog van belang, dat gelijk met de onderhavige zaak een soortgelijke zaak (onder nummer 02-00799) bij het hof aanhangig is. Uit hetgeen zij ter zitting heeft aangevoerd volgt, dat zij haar slechte financiële toestand ook in eerste aanleg bij brief van 30 maart 2002 aan de officier van justitie heeft uiteengezet.
3.3. De kantonrechter heeft het verzet niet-ontvankelijk verklaard omdat de betrokkene geen griffierecht had betaald. Hetgeen de betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd geeft in beginsel aanleiding te overwegen of de verplichting in volle omvang griffierecht te betalen en zekerheid te stellen tot het volledige verschuldigde bedrag en al de kosten een zodanige belemmering oplevert, dat een en ander in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. Bij een positieve beantwoording van die vraag zou mogelijk redelijkerwijs geoordeeld moeten worden dat de betrokkene ten aanzien van de genoemde verplichtingen niet in verzuim is geweest. Ook ten aanzien van de uitspraak in eerste aanleg zou dan die toets dienen te worden aangelegd.
3.4. Toch zal het hof de betrokkene om proces-economische redenen niet opnieuw in de gelegenheid stellen aan de verplichtingen als bedoeld in art. 26a, tweede en derde lid, WAHV te voldoen in een omvang die overeenstemt met haar financiële situatie. De ontvankelijkheid van het hoger beroep kan de betrokkene namelijk niet baten, aangezien een inhoudelijke beoordeling door het hof van de beslissing van de kantonrechter niet anders zou kunnen inhouden dan dat de door deze uitgesproken niet-ontvankelijkheid van het beroep dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden.
3.5. Immers, ingevolge art. 26, derde lid, WAHV dienen bij het indienen van het verzetschrift het dwangbevel en een afschrift van het exploit van betekening te worden overgelegd bij de rechtbank. Bij het verzetschrift ontbreken genoemde stukken. Op 1 maart 2002 is aan de betrokkene door de griffier van de rechtbank een brief gezonden met de mededeling dat de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld om binnen 14 dagen na verzending van de brief afschriften over te leggen van het dwangbevel of de kennisgeving van verhaal en van het exploot van betekening daarvan. Niet gebleken is dat de betrokkene aan deze mededeling gehoor heeft gegeven. Art. 26, vijfde lid, WAHV, houdt in dat het verzet, indien de indiener van het verzetschrift niet binnen genoemde termijn voormelde stukken overlegt, niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Van omstandigheden die het laatste meebrengen is niet gebleken. Ter zitting van het hof heeft de betrokkene aangegeven de brief van de rechtbank te hebben ontvangen, doch na consultering van een relatie, werkzaam bij de Kredietbank te Winschoten, afgezien te hebben van toesturen van de gevraagde stukken. Deze omstandigheid komt voor risico van de betrokkene en brengt niet mee dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest.
3.6. Nu derhalve het de betrokkene opnieuw in de gelegenheid stellen de voor het appel benodigde bedragen aan zekerheidstelling en griffierecht te voldoen op een wijze die in overeenstemming is met haar draagkracht grond van het hiervoor overwogene niet zinvol is en het belang daarvan voor de betrokkene gelet op het bovenoverwogene ontbreekt, zal het hof haar niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dijk, voorzitter, Dijkstra en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.