ECLI:NL:GHLEE:2003:AF4452
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep kort geding
- Meijeringh
- Zuidema
- van Oostveen
- Streppel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering trainer wegens ontbreken aannemelijke arbeidsovereenkomst en opdracht
In deze zaak stond de vraag centraal of de eiser, een trainer, een arbeidsovereenkomst of een opdrachtovereenkomst had met de appellanten, bestaande uit een schaatster en haar team. De eiser stelde dat hij sinds 1 april 2001 in loondienst was getreden en ondersteunde dit met verklaringen van betrokkenen en het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW.
De appellanten betwistten dit en stelden dat het team in oprichting was en afhankelijk van het aantrekken van een hoofdsponsor. Zonder sponsor zou het team niet definitief worden gevormd en zouden gemaakte kosten voor eigen rekening blijven. De rechter oordeelde dat de eiser onvoldoende bewijs had geleverd voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst of een opdrachtovereenkomst.
De verklaringen die de eiser overlegde waren niet overtuigend en er waren geen ondertekende overeenkomsten die een dienstverband bevestigden. Ook het feit dat de eiser kosten zonder protest betaalde en maanden zonder loon werkte, sprak tegen zijn stelling. Het beroep op het rechtsvermoeden faalde daarom. De vordering werd afgewezen en de eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de eiser wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een arbeidsovereenkomst of opdrachtovereenkomst.