ECLI:NL:GHLEE:2003:AF6477

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
5 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-00856
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6:5 AwbArt. 13a lid 1 WAHVArt. 20a WAHVArt. 2 lid 3 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen administratieve sanctie wegens snelheidsovertreding zonder recht op vertaling processtukken

Betrokkene werd administratief gesanctioneerd voor het overschrijden van de maximumsnelheid op de A9 te Amstelveen op 8 maart 2001. De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, met als motivering dat in Nederland de Nederlandse taal de gerechtstaal is en dat er geen recht op vertaling van processtukken bestaat.

Het hof oordeelt dat hoewel de Nederlandse taal de gerechtstaal is, betrokkene die de taal niet machtig is recht heeft op een schriftelijke vertaling van processtukken door een beëdigd vertaler, tenzij dit niet noodzakelijk is voor een behoorlijke verdediging. Dit volgt uit artikel 6 EVRM Pro en jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

In deze zaak is het beroep van betrokkene ongegrond omdat de overtreding niet is ontkend en de waarnemingen die tot de sanctie leidden niet zijn betwist. Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter vanwege diens onjuiste oordeel over het recht op vertaling, maar doet wat deze had behoren te doen door het beroep ongegrond te verklaren.

Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het beroep tegen de snelheidsovertreding ongegrond en vernietigt de beslissing van de kantonrechter wegens onjuist oordeel over het recht op vertaling.

Uitspraak

WAHV 02/00856
5 maart 2003
CJIB 19041002753
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam
van 20 juni 2002
Betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
voor wie als gemachtigde optreedt drs. E. Focke LL.M., gevestigd te Enschede.
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 280,-- (Euro€ 127,06) opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (verkeersbord A1); meer dan 30 km/h en t/m 35 km/h ", welke gedraging zou zijn verricht op 8 maart 2001 op de A9 te Amstelveen.
3.2. De betrokkene voert aan, dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft onderzocht of de betrokkene de hem verweten gedraging heeft begaan, maar slechts is ingegegaan op de inhoud van het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie, waarin wordt gesteld, dat een dergelijk geschrift vergezeld dient te gaan van een (in de Duitse taal gestelde) vertaling.
3.3. De beslissing van de kantonrechter houdt als motivering van de beslissing dat het beroep ongegrond wordt verklaard in:
"De kantonrechter acht het beroep ongegrond. In juridische geschillen in Nederland placht (het hof leest: pleegt) de Nederlandse taal te worden gesproken. Spreekt of verstaat men die niet, dan had betrokkene een tolk of vertaler dienen in te schakelen. Er is geen verdrag waarin wordt bepaald dat buitenlanders recht hebben op een vertaling van een beschikking."
3.4. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
3.5. Noch in de WAHV noch in enig ander op de onderhavige procedure toepasselijk wettelijk voorschrift is een regeling opgenomen voor vertaling van processtukken, behoudens art. 6:5, derde lid, Awb betreffende het beroepschrift gesteld in een vreemde taal. Evenmin voorziet de wet in een procedure als de onderhavige in bijstand aan een betrokkene van een tolk, die zou kunnen zorgdragen voor een vertaling van enig stuk.
3.6. Als uitgangspunt heeft te gelden dat, - behoudens een hier niet ter zake doende uitzondering -, in Nederland de Nederlandse taal de gerechtstaal is. Dat wil zeggen dat het onderzoek ter zitting in de Nederlandse taal plaatsvindt en dat de uitspraak in die taal wordt gedaan.
3.7. Ingevolge art. 6, derde lid, aanhef en onder e, EVRM heeft de verdachte recht op kosteloze bijstand van een tolk indien hij de taal die ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.
3.8. Te dien aanzien overwoog het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in zijn arrest van 19 december 1989 (Kamasinski vs. Austria, Série A vol. 168, NJ 1994, 26):
74. The right, stated in para. 3 (e) of Art. 6, to the free assistance of an interpreter applies not only to oral statements made at the trial hearing but also to documentary material and the pre-trial proceedings. Para. 3 (e) signifies that a person "charged with a criminal offence" who cannot understand or speak the language used in court has the right to the free assistance of an interpreter for the translation or interpretation of all those documents or statements in the proceedings instituted against him which it is necessary for him to understand or to have rendered into the court's language in order to have the benefit of a fair trial (see the Luedicke, Belkacem and Koç judgment of 28 November 1978, Series A no. 29, p. 20, § 48; NJ 1980, 40).
However, para. 3 (e) does not go so far as to require a written translation of all items of written evidence or official documents in the procedure. The interpretation assistance provided should be such as to enable the defendant to have knowledge of the case against him and to defend himself, notably by being able to put before the court his version of the events.
In view of the need for the right guaranteed by para. 3 (e) to be practical and effective, the obligation of the competent authorities is not limited to the appointment of an interpreter but, if they are put on notice in the particular circumstances, may also extend to a degree of subsequent control over the adequacy of the interpretation provided (see, mutatis mutandis, the Artico judgment previously cited, Series A no. 37, p. 16 and 18, § 33 and 36 - quoted above at paragraph 65; NJ 1980, 586).
3.9. Volgens de Memorie van toelichting bij de wet van 28 oktober 1999, Stb. 469 (Kamerstukken II, 25927, nr. 3, blz. 9) is in procedures als de onderhavige gezien de betrekkelijk eenvoudige aard van de zaken tot uitgangspunt genomen dat met een schriftelijke behandeling kan worden volstaan. Weliswaar kan een betrokkene schriftelijk verzoeken om een behandeling ter terechtzitting (art. 20a WAHV), maar een dergelijk verzoek ligt voor een betrokkene die niet in Nederland woonachtig of gevestigd is niet in de rede, gelet op de afstand tot de plaats waar het hof gevestigd is en op het beperkte belang, dat gerekend naar de ten hoogste op te leggen sanctie van Euro€ 340,-- (eerder fl 750,--) per gedraging (art. 2 lid 3 WAHV Pro), in een procedure als de onderhavige aan de orde is. Van behandeling van een beroepschrift van een in het buitenland woonachtige of gevestigde betrokkene ter zitting met bijstand van een tolk, die hem kan inlichten over de inhoud van de processtukken, zal dus slechts bij hoge, zich hier niet voordoende uitzondering sprake zijn.
3.10. Het ingevolge art. 13a lid 1 WAHV in de onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit van 22 december 1993, Stb. 763) noch enige andere wettelijke regeling voorziet in vergoeding van kosten van bijstand van een tolk, ook niet wanneer deze bijstand bestaat in de vertaling van schriftelijke stukken die deel uitmaken van een procedure als de onderhavige. Daarom kan niet van de betrokkene worden verlangd dat hij tegen vergoeding van kosten zelf voorziet in de door hem gewenste vertaling.
3.11. Het vorenoverwogene leidt er toe dat aan een betrokkene, die de Nederlandse taal niet voldoende machtig is en die derhalve de inhoud van enig processtuk niet begrijpt, desgevraagd een schriftelijke vertaling van een of meer door de betrokkene aan te wijzen processtukken dient te worden verschaft in een taal die de betrokkene begrijpt. Deze vertaling dient te worden vervaardigd door een beëdigd vertaler en dient in het geding te worden gebracht door het bestuursorgaan dat de sanctie heeft opgelegd of gehandhaafd.
3.12. In plaats van een vertaling kan worden volstaan met een door een beëdigd vertaler te vervaardigen schriftelijke weergave van de korte inhoud van een stuk als vorenbedoeld, indien en voor zover de betrokkene daardoor niet wordt geschaad in zijn belang zich behoorlijk te kunnen verdedigen.
3.13. Gelet op het schriftelijke karakter van de procedure als weergegeven onder 3.8. geldt hetgeen is overwogen ten aanzien van de stukken die van de zijde van het openbaar ministerie zijn ingebracht eveneens ten aanzien van de beslissing van de kantonrechter. Opmerking verdient, dat ook de rechtsmiddelverwijzing onder de beslissing van de kantonrechter dient te worden vertaald.
3.14. Uit het vorenoverwogene volgt, dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen, dat de betrokkene die de Nederlandse taal niet verstaat geen recht heeft op een vertaling. Het hof zal dan ook de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat deze had behoren te doen.
3.15. Een en ander hoeft echter in de onderhavige procedure niet te leiden tot het alsnog verschaffen van de vertaling of van een schriftelijke weergave van de korte inhoud van stukken, nu inmiddels een gemachtigde voor de betrokkene optreedt die de Nederlandse taal machtig is en van wie mag worden aangenomen dat hij beschikt over de aan de betrokkene of diens vorige gemachtigde toegezonden stukken.
3.16. De beslissing van de officier van justitie op het beroep van de betrokkene tegen de inleidende beschikking houdt onder meer in: "Uit bij de politie ingewonnen inlichtingen blijkt van de juistheid van de in de beschikking genoemde gegevens. Hierbij ingesloten ontvangt u een kopie van de foto, welke de opsporingsinstantie mij naar aanleiding van uw brief heeft gegeven."
3.17. Op het samenstel van de twee foto's is op de ene foto waar te nemen, dat het kenteken van de gefotografeerde auto M-K-3585 is, terwijl het inspiegelbeeld op de andere foto vermeldt: de gemeten snelheid van 138 km/h, het tijdstip 13.37 uur en de datum 8 maart 2001.
3.18. In aanmerking nemende dat niet is ontkend, dat het genoemde kenteken ten name is gesteld van de betrokkene geeft de blote ontkenning dat de gedraging is verricht onvoldoende grond om te twijfelen aan de juistheid van de waarnemingen die hebben geleid tot de inleidende beschikking.
3.19. Het tegen de beslissing van de officier van justitie ingestelde beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het tegen de beslissing van de officier van justitie ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.