ECLI:NL:GHLEE:2003:AF8339
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Aardema
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens onvoldoende bewijs lening
Belanghebbende deed in 1992 aangifte inkomstenbelasting over 1991 met een belastbaar inkomen van ƒ 85.541,--. Na onderzoek door de belastingdienst werd in 1995 een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 100.541,--, inclusief een boete van 50%. Belanghebbende stelde dat het niet aangegeven bedrag van ƒ 15.000,-- een lening betrof die volledig was terugbetaald, ondersteund door bankafschriften en een verklaring van de geldverstrekker.
Tijdens de procedure verklaarde de getuige, de heer B, dat het bedrag van ƒ 15.000,-- verband hield met omzetgerelateerde betalingen en niet met een lening. Het hof oordeelde dat de stelling van belanghebbende onvoldoende onderbouwd was vanwege het ontbreken van een leningsovereenkomst, schuldbekentenis, renteafspraken en aflossingstermijnen, en handhaafde de navorderingsaanslag.
De procedure duurde echter ruim zeven jaar, wat het hof onredelijk achtte in het kader van artikel 6 EVRM Pro, en daarom werd de opgelegde boete kwijtgescholden. Het hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de inspecteur omtrent de boete, handhaafde de navorderingsaanslag en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed.
Uitkomst: Navorderingsaanslag gehandhaafd, boete kwijtgescholden wegens overschrijding redelijke termijn.