ECLI:NL:GHLEE:2003:AF9027

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
22 mei 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
24-190068-02
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Zwerwer
  • Weenink
  • Roes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 91, tweede lid, aanhef en onder a, Wet op de accijnsArt. 27, derde lid, Wet op de accijnsArt. 422 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken beschikkingsmacht over brandstoftank met halfzware olie

In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens overtreding van artikel 91, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de accijns, dat het bezit van halfzware olie in de brandstoftank van een motorrijtuig verbiedt. De politierechter had verdachte veroordeeld, maar het hof vernietigde dit vonnis in hoger beroep.

Het hof oordeelde dat het verbod gericht is op de eigenaar, kentekenhouder of bestuurder van het motorrijtuig, en niet op een inzittende zonder beschikkingsmacht. Verdachte verklaarde dat het voertuig eigendom was van zijn vrouw, dat zij het bestuurde en hij als passagier aanwezig was. Dit werd niet betwist.

Daarom kon niet worden vastgesteld dat verdachte de verboden olie in de brandstoftank voorhanden had. Ook het feit dat verdachte eerder zelf de olie had getankt, deed hieraan niet af. Het hof sprak verdachte vrij van de tenlastelegging en vernietigde het vonnis van de politierechter.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van beschikkingsmacht over de brandstoftank met halfzware olie.

Uitspraak

Parketnummer: 24-190068-02
Arrest d.d. 22 mei 2003 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank van het arrondissement Assen d.d. 4 oktober 2002 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
verschenen in persoon.
Het vonnis waarvan beroep.
De politierechter in de rechtbank van het arrondissement Assen heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, één en ander als in het vonnis nader omschreven.
Aanwending van het rechtsmiddel.
De verdachte is d.d. 4 oktober 2002 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 8 mei 2003 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De beslissing op het hoger beroep.
Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging.
Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.
Vrijspraak.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij het in artikel 91, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de accijns opgenomen verbod heeft overtreden. Deze bepaling houdt - voor zover in dit verband van belang - in:
"Het is niet toegestaan halfzware olie en gasolie die zijn voorzien van herkenningsmiddelen als bedoeld in artikel 27, derde lid, dan wel bestanddelen bevatten van die herkenningsmiddelen, voorhanden te hebben in:
a. de brandstoftank van een motorrijtuig (...)".
Gelet op de strekking en inhoud van de Wet op de accijns is naar het oordeel van het hof het in artikel 91, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de accijns opgenomen verbod gericht tegen de eigenaar en/of kentekenhouder en/of bestuurder van het motorrijtuig.
Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat ook een (toevallige) inzittende die verder geen beschikkingsmacht over (de brandstoftank van) het motorrijtuig heeft, onder de reikwijdte van voornoemde bepaling valt.
In de onderhavige zaak heeft verdachte ter terechtzitting van het hof, als ook in eerste aanleg, verklaard dat het in de tenlastelegging bedoelde motorrijtuig zijn vrouw (geheel) in eigendom toebehoorde, dat zij dit motorrijtuig op 10 juni 2001 bestuurde en dat hijzelf op de passagiersstoel zat. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid van deze - ook door de advocaat-generaal niet betwiste - verklaring te twijfelen.
Het voorgaande brengt mee dat de ambtenaren van de Belastingdienst/ Douane niet verdachte, maar diens echtgenote als verdachte van het overtreden van het in artikel 91, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de accijns opgenomen verbod hadden moeten aanmerken. Van verdachte kan immers niet worden gezegd dat hij de in de tenlastelegging omschreven olie voorhanden heeft gehad, als bedoeld in artikel 91, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de accijns. Dat verdachte op of enige tijd vóór 10 juni 2001 zelf de bewuste olie heeft getankt, zoals hij zelf heeft verklaard, kan aan dit laatste niet afdoen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen aldus aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
De uitspraak.
HET HOF,
RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:
verklaart het verdachte als voormeld tenlastegelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.
Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Zwerwer, voorzitter, Weenink en Roes, in tegenwoordigheid van mr. Jongeling als griffier, zijnde mr. Roes voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.