ECLI:NL:GHLEE:2003:AF9582

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
23 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-01396
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Poelman
  • Van Dijk
  • Weenink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WAHVArt. 6:24 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet stellen van zekerheid bij bestuursstraf

Betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie, maar dit werd door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid binnen de gestelde termijn. Betrokkene woonde in Duitsland en correspondentie was in het Duits, maar de beslissing van de kantonrechter was in het Nederlands gesteld.

Het hof oordeelde dat betrokkene niet tijdig beroep had ingesteld, maar vanwege taalbarrière en het ontbreken van een vertaling kon hem dit niet worden tegengeworpen, waardoor het beroep ontvankelijk werd verklaard. Het verweerschrift van de advocaat-generaal was echter in het Nederlands, waardoor betrokkene mogelijk in zijn verdedigingsbelang werd geschaad.

Desondanks oordeelde het hof dat betrokkene uitdrukkelijk had geweigerd zekerheid te stellen en bevestigde het de beslissing van de kantonrechter dat het beroep niet-ontvankelijk was. Het arrest werd uitgesproken door het hof te Leeuwarden op 23 april 2003.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet tijdig stellen van zekerheid.

Uitspraak

WAHV 02/01396
23 april 2003
CJIB 79048498621
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Maastricht
van 4 september 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaatsnaam] (Duitsland).
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Maastricht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge het in art. 14, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de artt. 6:24, 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.
3.2. De beslissing van de kantonrechter van de rechtbank te Maastricht d.d. 4 september 2002 is aan de betrokkene verzonden op 17 september 2002. Het beroepschrift is gedateerd 12 november 2002 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 15 november 2002 in de postkamer van de rechtbank te Maastricht ingekomen. Het beroepschrift is derhalve niet tijdig ingediend.
3.3. Het hof zal gelet op art. 6:11 Awb Pro onderzoeken of in het onderhavige geval sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Het overweegt daartoe het volgende.
3.4. Aan de in Duitsland woonachtige betrokkene is op 5 maart 2002 een in de Duitse taal gestelde initiële beschikking gezonden, waarop de betrokkene bij een beroepschrift in de Duitse taal, gedateerd 20 maart 2002, heeft gereageerd.
3.5. Met de betrokkene is steeds in de Duitse taal gecorrespondeerd. De beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Maastricht d.d. 4 september 2002 is in de Nederlandse taal gesteld, evenals de vermelding van het tegen deze beslissing openstaande rechtsmiddel.
3.6. Als uitgangspunt heeft te gelden dat, - behoudens een hier niet ter zake doende uitzondering - in Nederland de Nederlandse taal de gerechtstaal is. Dat wil zeggen dat het onderzoek ter zitting in de Nederlandse taal plaatsvindt en dat de uitspraak in die taal wordt gedaan.
3.7. Aan de betrokkene, die de Nederlandse taal niet voldoende machtig is en die derhalve de inhoud van enig processtuk niet begrijpt, dient een schriftelijke vertaling van dat processtuk te worden verschaft in een taal die de betrokkene begrijpt. In plaats van een volledige vertaling kan worden volstaan met een schriftelijke weergave van de korte inhoud van het stuk, indien en voor zover de betrokkene daardoor niet wordt geschaad in zijn belang zich behoorlijk te kunnen verdedigen. Opmerking verdient, dat ook de vermelding van de mogelijkheid van beroep als bedoeld in art. 6:23 Awb Pro dient te geschieden in een taal die de betrokkene begrijpt.
3.8. Nu in de onderhavige zaak tot aan de beslissing van de kantonrechter met de betrokkene uitsluitend in de Duitse taal is gecorrespondeerd, terwijl niet is gebleken dat de betrokkene de Nederlandse taal machtig is, kan de betrokkene niet worden tegengeworpen dat hij niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. Het hof acht het hoger beroep daarom ontvankelijk.
3.9. Het in de onderhavige zaak ingediende verweerschrift van de advocaat-generaal is in de Nederlandse taal gesteld, terwijl niet blijkt dat een vertaling in de Duitse taal beschikbaar is. Nu de betrokkene gelet op het vorenoverwogene geacht kan worden niet in de gelegenheid te zijn geweest adequaat op het verweerschrift te reageren, is de betrokkene daardoor in beginsel in zijn verdedigingsbelang geschaad.
3.10. Een en ander hoeft echter in de onderhavige procedure niet te leiden tot het alsnog verschaffen van de vertaling of van een schriftelijke weergave van de korte inhoud van het verweerschrift, daar het verweerschrift handelt over het door betrokkene niet stellen van zekerheid en de betrokkene in zijn beroepschrift reeds uitdrukkelijk heeft kenbaar gemaakt te weigeren zekerheid te stellen.
3.11. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en dat de betrokkene evenmin binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld, terecht het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter dient derhalve te worden bevestigd.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs. Poelman, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van Meester als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.