ECLI:NL:GHLEE:2003:AI0881
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Drion
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over aftrek buitengewone lasten voor levensonderhoud kind
Belanghebbende was in geschil met de inspecteur over de aftrek van kosten voor het levensonderhoud van zijn jongste dochter in de inkomstenbelasting 1999. Hij wilde de werkelijke kosten van ƒ 6.920,- aftrekken als buitengewone lasten, terwijl de inspecteur volhield dat slechts het forfaitaire bedrag van ƒ 2.700,- (viermaal ƒ 675,-) volgens de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 van toepassing was.
De feiten toonden aan dat belanghebbende sinds 1996 steeds het forfaitaire bedrag in aftrek bracht en dat de jongste dochter in belangrijke mate door hem werd onderhouden, zonder recht op kinderbijslag of studiefinanciering. Het hof overwoog dat de wettelijke regeling in artikel 46 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Uitvoeringsregeling duidelijk voorschrijven dat voor kinderen jonger dan 27 jaar het forfaitaire bedrag geldt.
Het beroep van belanghebbende vond geen steun in de wet, ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat de inspecteur onbetwist had gesteld dat de forfaitaire regeling steeds was gevolgd. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
De uitspraak werd op 1 augustus 2003 door het Gerechtshof Leeuwarden gedaan en op 7 augustus 2003 aan partijen verzonden.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 1999 wordt ongegrond verklaard.