ECLI:NL:GHLEE:2003:AI0881

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
1 augustus 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK 351/02 Inkomstenbelasting
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Drion
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 9 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over aftrek buitengewone lasten voor levensonderhoud kind

Belanghebbende was in geschil met de inspecteur over de aftrek van kosten voor het levensonderhoud van zijn jongste dochter in de inkomstenbelasting 1999. Hij wilde de werkelijke kosten van ƒ 6.920,- aftrekken als buitengewone lasten, terwijl de inspecteur volhield dat slechts het forfaitaire bedrag van ƒ 2.700,- (viermaal ƒ 675,-) volgens de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 van toepassing was.

De feiten toonden aan dat belanghebbende sinds 1996 steeds het forfaitaire bedrag in aftrek bracht en dat de jongste dochter in belangrijke mate door hem werd onderhouden, zonder recht op kinderbijslag of studiefinanciering. Het hof overwoog dat de wettelijke regeling in artikel 46 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Uitvoeringsregeling duidelijk voorschrijven dat voor kinderen jonger dan 27 jaar het forfaitaire bedrag geldt.

Het beroep van belanghebbende vond geen steun in de wet, ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat de inspecteur onbetwist had gesteld dat de forfaitaire regeling steeds was gevolgd. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

De uitspraak werd op 1 augustus 2003 door het Gerechtshof Leeuwarden gedaan en op 7 augustus 2003 aan partijen verzonden.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 1999 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Kenmerk: BK 351/02 1 augustus 2003
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z
(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren van de belastingdienst te Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 1999.
1. Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna: de Wet) van ƒ 31.930,--. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 2 januari 2002 beslist. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, hetwelk op 12 februari 2002 is ingekomen. De inspecteur heeft vervolgens op 2 mei 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 oktober 2002 te Leeuwarden. Hierbij is verschenen de inspecteur. Belanghebbende is niet verschenen en de behandeling is om die reden voortgezet op 22 april 2003 te Groningen, alwaar aanwezig was de inspecteur. Belanghebbende is hierbij wederom niet verschenen.
Het hof heeft in deze zaak op 6 mei 2003 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, op 16 mei 2003, aan partijen is verzonden.
Bij een op 3 juni 2003 ter griffie ingekomen brief heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daartoe verschuldigde griffierecht is op 126 juni 2003 voldaan.
Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. De feiten.
2.1 Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:
2.2 Belanghebbende was tot juni 1996 gehuwd met mevrouw A. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, waarvan de jongste dochter, geboren op 16 oktober 1989, in het jaar 1999 op het adres van de moeder woonde. Mevrouw A ontving in 1999 kinderbijslag voor de jongste dochter. 2.3 Belanghebbende brengt in zijn aangifte 1999 de volgende kosten aan levensonderhoud voor zijn jongste dochter in aftrek:
Advocaat ƒ 600, -
Halen en brengen dochter 13.000 km x ƒ 0,39 ƒ 5.070, -
Kosten 26 weekenden, eten etc + vakanties 6 weken ƒ 1.250, -
ƒ 6.920, -
2.3 Met ingang van het jaar 1996 is overeenkomstig de aangifte door de inspecteur voor het levensonderhoud van kinderen jonger dan 27 jaar de forfaitaire aftrek van ƒ 2.700, - aan belanghebbende verleend.
3. Het geschil en de standpunten van partijen.
3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende de werkelijk kosten ten bedrage van ƒ 6.920, - als buitengewone lasten mag aftrekken dan wel 4 maal het forfaitaire bedrag (in totaal
ƒ 2.700, -) van artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling).
3.2 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.
3.3 Ter zitting heeft de inspecteur zijn standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.
4. De overwegingen omtrent het geschil.
4.1 Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, tekst 1999 (hierna: de Wet) zijn buitengewone lasten de op de belastingplichtige drukkende:
a. uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van:
1°. kinderen en pleegkinderen, die jonger dan 27 jaar zijn, voor wie de belastingplichtige geen recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet heeft en die zelf geen recht hebben op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering of op tegemoetkoming ingevolge de Wet tegemoetkoming studiekosten, mits die kinderen in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden.
Niet in geschil is dat voor de aftrek van de bijdragen in het levensonderhoud van de jongste dochter aan voorgaande criteria wordt voldaan.
4.2 Ingevolge het tweede lid van artikel 46 van Pro de Wet worden uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en pleegkinderen, die jonger dan 27 jaar zijn, in aanmerking genomen tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. Deze regels zijn opgenomen in artikel 9 van Pro de Uitvoeringsregeling. Uit het eerste lid, onderdeel b, van dit artikel volgt dat belanghebbende voor zijn jongste dochter recht heeft op een forfaitaire aftrek van ƒ 675, - per kalenderkwartaal.
Voorzover belanghebbende een beroep doet op het vertrouwensbeginsel in verband met de aanslagregeling van voorgaande jaren overweegt het hof dat de inspecteur dienaangaande onbestreden heeft aangegeven dat belanghebbende sinds het belastingjaar 1996 het forfaitaire bedrag in aftrek heeft gebracht en dat de aangifte voor wat betreft deze post, steeds is gevolgd. Het hof zal om die reden het beroep op voormeld beginsel niet nader bespreken.
5. De conclusie.
Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep van belanghebbende geen steun vindt in de Wet en derhalve geen doel treft.
6. De proceskosten.
Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
7. De beslissing.
Het hof verklaart het beroep ongegrond.
Gedaan op 1 augustus 2003 door mr Drion, raadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier en op die dag in het openbaar uitgesproken.
Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden
op: 7 augustus 2003