ECLI:NL:GHLEE:2003:AL1880
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Mollema
- Zuidema
- Meijeringh
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering op basis van onbepaalbare pensioenaanvullingstoezegging
Appellant vorderde een maandelijkse toelage als aanvulling op zijn pensioen, gebaseerd op een toezegging van de toenmalige voorzitter van geïntimeerden tijdens zijn afscheidsreceptie in mei 1982. De omvang van deze toelage was echter niet besproken en er zijn geen criteria vastgesteld voor de hoogte ervan.
De rechtbank had de vordering reeds afgewezen omdat de toezegging niet voldoende bepaalbaar was en dus niet als een rechtens afdwingbare prestatie kon worden opgevat. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de toezegging wel bepaalbaar was en dat geïntimeerden in redelijkheid niet mochten weigeren deze nader uit te werken.
Het hof onderschreef de motivering van de rechtbank en oordeelde dat de toezegging niet voldoende bepaalbaar was. Ook het beroep op algemene pensioenregels faalde omdat appellant als vrijwilliger werkte en dergelijke normen niet gangbaar zijn in die context. De aanvullende en subsidiaire vorderingen tot schadevergoeding en dooronderhandelen werden eveneens afgewezen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde partijen in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering af wegens onvoldoende bepaalbaarheid van de pensioenaanvullingstoezegging en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.