ECLI:NL:GHLEE:2003:AN1347
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Mollema
- Kuiper
- Breemhaar
- Rechtspraak.nl
Nietigheid proceshandelingen na faillissement wegens schorsing op grond van Faillissementswet
In deze civiele zaak vordert appellante schadevergoeding van geïntimeerde, die failliet is verklaard op 3 juni 1999. Het hof constateert dat de vordering van appellante een verbintenis uit de boedel betreft in de zin van art. 26 Faillissementswet Pro. De rechtbank heeft ten onrechte het geding niet geschorst conform art. 29 Faillissementswet Pro nadat zij op de hoogte was gesteld van het faillissement.
Omdat nog geen verificatievergadering heeft plaatsgevonden, zijn alle proceshandelingen na het faillissement met betrekking tot de schadevergoeding nietig en van onwaarde, waaronder de vonnissen van 22 november 2000 en 20 maart 2002. Het hof vernietigt deze vonnissen voor zover zij op deze vordering betrekking hebben en doet ter zake wat de rechtbank had behoren te doen.
Verder behandelt het hof de grieven van partijen over de toepasselijkheid van algemene voorwaarden, waaronder klachten- en reclametermijnen, en de bewijsopdracht. Het hof oordeelt dat het beroep van de curator op bepaalde bepalingen van de algemene voorwaarden niet slaagt en bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de klachttermijn niet onredelijk bezwarend is.
Het hof bekrachtigt de overige vonnissen voor zover niet nietig verklaard, veroordeelt de curator in de kosten van het hoger beroep incidenteel appel en wijst het meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: Proceshandelingen na faillissement zijn nietig verklaard en overige vonnissen bekrachtigd met veroordeling curator in kosten hoger beroep incidenteel appel.