ECLI:NL:GHLEE:2003:AN9826

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
5 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK 950/02 Toeristenbelasting
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Aardema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 lid 2 sub a AWRArt. 3:46 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslag toeristenbelasting over 1999 door Gerechtshof Leeuwarden

Belanghebbende bood in 1999 verblijf aan derden in objecten binnen de gemeente Ameland, waarop een voorlopige aanslag toeristenbelasting werd opgelegd. Deze voorlopige aanslag werd vernietigd door het hof wegens een gebrek aan motivering. Vervolgens legde het hoofd van de afdeling financiën een navorderingsaanslag op grond van artikel 16 lid 2 sub a van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

Belanghebbende betwistte de navorderingsaanslag en stelde dat geen nieuw feit aanwezig was om navordering te rechtvaardigen. Het hof oordeelde echter dat het bestuursorgaan bevoegd was de navordering op te leggen omdat te weinig belasting was geheven door een onjuiste verrekening van de voorlopige aanslag.

Het hof verwierp ook het beroep op strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat geen feiten of omstandigheden waren aangevoerd die dit aannemelijk maakten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag toeristenbelasting 1999 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Kenmerk: BK 950/02 5 december 2003
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z
(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling financiën van de gemeente Ameland (: het hoofd), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen navorderingsaanslag in de toeristenbelasting.
1. Ontstaan en loop van het geding
Op 7 maart 2001 heeft het hoofd een navorderingsaanslag ex artikel 16 lid 2 sub a van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan belanghebbende opgelegd. Het bezwaarschrift van belanghebbende heeft het hoofd in zijn uitspraak op bezwaarschrift van 14 maart 2002 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij het hof tijdig beroep ingesteld.
Het beroepschrift (met bijlagen) is op 10 april 2002 ter griffie van het hof ingekomen. Het hoofd heeft vervolgens op 29 augustus 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 22 september 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar partijn in persoon zijn verschenen. Het hof heeft in deze zaak op 6 oktober 2003 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, op 15 oktober 2003, aan partijen is verzonden.
Bij een op 23 oktober 2003 ter griffie ingekomen brief heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daartoe verschuldigde griffierecht is op 30 oktober 2003 voldaan.
Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. De feiten.
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:
2.1 Belanghebbende heeft in 1999 gelegenheid geboden aan derden tot verblijf in de hem ter beschikking staande objecten binnen de gemeente Ameland, plaatselijk bekend als a-straat 337 en b-straat 357 te L. Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende op 26 februari 1999 voor het jaar 1999 een voorlopige aanslag in de toeristenbelasting opgelegd ter hoogte van ƒ 1.220,--. Het bezwaarschrift daartegen heeft het hoofd bij uitspraak van 29 februari 2000 ongegrond verklaard, waartegen door belanghebbende beroep is ingesteld. Op 10 april 2000 heeft het hoofd een definitieve aanslag opgelegd, met daarop de vermelding dat de aanslag niet betaald hoefde te worden, omdat het bedrag gelijk was aan het bedrag van de voorlopige aanslag. Vervolgens heeft het hof bij arrest van 28 november 2000 de voorlopige aanslag van het hoofd vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel als bedoeld in artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nu in die aanslag de objectomschrijving ontbrak. Hierna heeft door het hoofd terugbetaling van het bedrag van de voorlopige aanslag plaatsgevonden aan belanghebbende.
2.2 Op 7 maart 2001 heeft het hoofd een navorderingsaanslag ex artikel 16 lid 2 sub a van Pro deAWR aan belanghebbende opgelegd. Het bezwaarschrift van belanghebbende heeft het hoofd in zijn uitspraak op bezwaarschrift van 14 maart 2002 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij het hof tijdig beroep ingesteld.
3. Het geschil en de standpunten van partijen.
3.1 In geschil is de vraag of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.
3.2 Belanghebbende acht gelet op de gang van zaken het gebruik in artikel 16 lid 2 sub a AWR Pro onjuist, omdat volgens belanghebbende geen sprake is van een nieuw feit.
3.3 Het hoofd daarentegen is van mening dat op grond van dit artikel de bevoegdheid tot navordering wel bestaat.
3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.
4. De overwegingen omtrent het geschil.
4.1 Artikel 16 lid 2 sub a AWR Pro bepaalt dat -behalve in de in lid 1 van dit artikel genoemde gevallen- navordering mede kan plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven doordat een voorlopige aanslag, een voorheffing of een voorlopige teruggaaf ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend.
4.2 Naar het oordeel van het hof was het hoofd op grond van deze bepaling bevoegd om alsnog tot navordering van de toeristenbelasting over het jaar 1999 over te gaan. De stelling van belanghebbende dat hier sprake zou zijn van onwettig handelen aan de zijde van het hoofd, kan het hof dan ook niet onderschrijven.
4.3 Voor zover belanghebbende heeft betoogd dat hier sprake is van handelen in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, gaat het hof aan die grief voorbij, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat de gemeente gehandeld zou hebben in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur.
5. De conclusie.
Het vorenoverwogene brengt mee dat het hof het beroep ongegrond zal verklaren.
6. De proceskosten.
Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
7. De beslissing.
Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Gedaan op 5 december 2003 door prof. mr Aardema, vice-president en lid van de eerste enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr De Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.
Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden
op: 10 december 2003