ECLI:NL:GHLEE:2003:AO1581

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
1 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 03-00720
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WAHVArt. 6 EVRMArt. 14 IVBPR
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-stellen zekerheid WAHV

De betrokkene had beroep ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie, maar stelde niet binnen de wettelijke termijn zekerheid voor betaling van de opgelegde administratieve sanctie zoals vereist in artikel 11 van Pro de WAHV. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk vanwege dit verzuim.

In hoger beroep betoogde de betrokkene onder meer dat hij geen zekerheid hoefde te stellen voordat de rechter had vastgesteld dat hij de gedraging had verricht, en dat de brieven van de officier van justitie onduidelijk waren over de gevolgen van het niet stellen van zekerheid. Het hof oordeelde dat de verplichting tot zekerheidstelling niet in strijd is met het recht op toegang tot de rechter, tenzij de betrokkene financieel niet in staat zou zijn zekerheid te stellen, wat niet was gesteld of gebleken.

Het hof stelde vast dat de betrokkene niet aannemelijk had gemaakt dat de formulering in de brieven hem had doen besluiten geen zekerheid te stellen. Ook was niet gebleken dat bankgarantie als vorm van zekerheidstelling mogelijk was volgens de WAHV. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en de beslissing van de kantonrechter werd bevestigd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig stellen van zekerheid voor betaling van de sanctie.

Uitspraak

WAHV 03/00720
1 december 2003
CJIB 69056355079
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch
van 2 juni 2003
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld ter zitting van 17 november 2003. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. T.H. Pitstra.
Nadien heeft de betrokkene een brief d.d. 18 november 2003, aan het hof gezonden. Bij deze brief heeft hij zijn betoogschrift toegezonden, dat hij verzuimd had over te leggen tijdens de zitting. Nu de inhoud van dit geschrift overeenstemt met hetgeen de betrokkene ter zitting heeft betoogd, vergt het belang van een goede procesorde niet, dat het hof alvorens te beslissen de advocaat-generaal nog in de gelegenheid stelt te reageren op dit geschrift.
3. Beoordeling
3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.
3.2. De betrokkene is van mening dat van hem niet verlangd mag worden dat hij, voordat hij toegang tot de rechter heeft en deze vastgesteld heeft dat hij de gedraging heeft verricht, zekerheid stelt.
3.3. De voorwaarde van zekerheidstelling is niet in strijd met de door art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR gegarandeerde toegang tot de rechter, tenzij de financiële draagkracht van de betrokkene zodanig is, dat zekerheidstelling tot het totale bedrag daarvan in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene niet in staat was de van hem verlangde zekerheidstelling te voldoen.
3.4. De betrokkene stelt dat de kantonrechter hem had moeten horen alvorens een beslissing te nemen.
3.5. Uit het systeem van de wet, zoals dat besloten ligt in de art. 11, leden 3 en 4, 12, lid 1 en 13, lid 1, WAHV, volgt, dat in geval van het niet of niet tijdig stellen van zekerheid, de kantonrechter op het beroep kan beslissen zonder de betrokkene te horen (vgl. HR 3 maart 1992, VR 1992, 68). Uit de stukken volgt dat de kantonrechter van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt en dat de betrokkene niet voor een zitting is opgeroepen.
3.6. Verder voert de betrokkene aan, dat hij geen zekerheid heeft betaald, omdat in de brieven van de officier van justitie omtrent zekerheidstelling is vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard en dat dit betekent dat het beroep dus niet per definitie niet-ontvankelijk wordt verklaard.
3.7. Het hof verstaat het verweer aldus, dat de betrokkene er vanuit gaat dat sprake is van een discretionaire bevoegdheid van de kantonrechter.
3.8. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel de termijn daarvoor is verstreken.
Het derde lid van art. 11 WAHV Pro houdt in dat:
- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden acceptgiro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;
- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem mededeelt dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;
- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.9. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV Pro) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen de zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.10. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 26 februari 2003 en een brief van 27 maart 2003 van de officier van justitie aan de betrokkene. In beide brieven is opgenomen, zakelijk weergegeven, dat indien niet wordt voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling, de kantonrechter het beroep niet ontvankelijk kan verklaren.
3.11. Ter zitting van het hof heeft de betrokkene te kennen gegeven dat hij niet op voormelde brieven heeft gereageerd, in die zin dat hij bij de officier van justitie inlichtingen heeft ingewonnen wegens bij hem gerezen twijfel omtrent de noodzaak om zekerheid te stellen. Het hof acht daarom niet aannemelijk dat de formulering in de brieven met betrekking tot het gevolg van het achterwege blijven van de zekerheidstelling ertoe heeft geleid dat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld.
3.12. Voor zover de betrokkene betoogt dat hij er op mocht vertrouwen dat hij geen zekerheid hoefde te stellen, omdat in de brief van de officier van justitie d.d. 17 januari 2003 vermeld staat, dat gewacht kan worden met betaling van de opgelegde sanctie tot de afloop van het beroep bekend is, overweegt het hof het volgende. Voormelde brief van 17 januari 2003 had enkel betrekking op het beroep bij de officier van justitie. Nu de betrokkene niet betwist, dat hij de beslissing van de officier van justitie d.d. 30 januari 2003 heeft ontvangen, en hij geen inlichtingen als hiervoor onder 3.11 overwogen, heeft ingewonnen, faalt dit verweer.
3.13. De betrokkene voert voorts aan dat in de brieven van de officier van justitie omtrent de zekerheidstelling ten onrechte niet vermeld is dat zekerheidstelling ook mogelijk is middels een bankgarantie. Ingevolge het derde lid van art. 11 WAHV Pro wordt zekerheid bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB) gesteld, hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden acceptgiro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB. Nu de wet niet voorziet in de mogelijkheid aan de verplichting tot zekerheidstelling te voldoen door middel van een bankgarantie, kan ook dit verweer niet slagen.
3.14. De beslissing waarvan beroep zal worden bevestigd.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Bijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.