ECLI:NL:GHLEE:2004:AO2084

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
16 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK 1186/02 WOZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Pruiksma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet waardering onroerende zakenArt. 18 lid 1 Wet waardering onroerende zakenArt. 4 lid 1 onder a Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zakenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling waarde onroerende zaak volgens Wet waardering onroerende zaken

In deze zaak staat centraal of de door de ambtenaar vastgestelde waarde van een onroerende zaak aan de a-laan 8 te Z, per waardepeildatum 1 januari 1999, overeenkomt met de waarde in het economische verkeer. De ambtenaar had de waarde aanvankelijk vastgesteld op € 292.234,00 en na bezwaar op € 209.646,--. Belanghebbende stelde beroep in tegen deze vaststelling.

Tijdens de procedure heeft het hof het verweerschrift van de ambtenaar ontvangen, waarop belanghebbende heeft gereageerd. De mondelinge behandeling vond plaats op 27 oktober 2003, waarbij de gemachtigden van de ambtenaar aanwezig waren, maar belanghebbende niet.

Het hof overweegt dat de waarde moet worden bepaald volgens artikel 18 van Pro de Wet waardering onroerende zaken en de Uitvoeringsregeling, waarbij onder meer vergelijking met referentieobjecten wordt gebruikt. De ambtenaar heeft twee vergelijkingsobjecten en een taxatieverslag als onderbouwing aangevoerd. Het hof acht deze onderbouwing voldoende en oordeelt dat de verschillen tussen de onroerende zaak en referentieobjecten adequaat zijn verwerkt.

Verder is geoordeeld dat aspecten zoals ligging, het ontbreken van een kabelaansluiting en aansluiting op het riool door de ambtenaar voldoende zijn meegenomen. Het hof concludeert dat de vastgestelde waarde niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer op de peildatum. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Ten slotte is besloten dat geen proceskosten worden toegewezen. De uitspraak is op 16 januari 2004 door het gerechtshof Leeuwarden gedaan.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde wordt bevestigd.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 1186/02 16 januari 2004
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van
X te Z (: de belanghebbende)
tegen de uitspraak van
de heffingsambtenaar van de gemeente Wûnseradiel (: de ambtenaar)
gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem uitgereikte waardebeschikking van nagenoemde onroerende zaak.
1. De procesgang
1.1 In het kader van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) heeft de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak a-laan 8 te Z (: de onroerende zaak) bij waardebeschikking d.d. 21 maart 2001 per waardepeildatum 1 januari 1999 vastgesteld op
€ 292.234,00.
1.2. Naar aanleiding van een door de belanghebbende ingediend bezwaarschrift heeft de ambtenaar de waarde bij uitspraak van 2 april 2002 nader vastgesteld op € 209.646,--.
1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij een op 6 mei 2002 ontvangen beroepschrift beroep ingesteld.
1.5. Het hof heeft op 2 juli 2002 het verweerschrift van de ambtenaar ontvangen.
1.6. Op dit verweerschrift heeft de belanghebbende bij brief van 23 september 2002 gereageerd waarna de ambtenaar nog een conclusie van dupliek d.d. 21 oktober 2002 heeft genomen.
1.7. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting
van 27 oktober 2003 te Leeuwarden, alwaar zijn verschenen de gemachtigden van de ambtenaar. De belanghebbende is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.8. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. Het geschil en de standpunten van partijen.
2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de vastgestelde waarde overeenkomt met de waarde in het economische verkeer.
2.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. De ambtenaar concludeert tot bevestiging van de beroepen uitspraak.
3. De overwegingen omtrent het geschil.
3.1. Ingevolge artikel 17 , lid 1, van de Wet wordt een waarde aan een onroerende zaak toegekend. Ingevolge lid 2 van dat artikel wordt de waarde bepaald op de waarde, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
3.2. Ingevolge artikel 18, lid 1, van de Wet wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum (in casu 1 januari 1999) heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.
3.3. Ingevolge artikel 4, lid 1 onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (: de Uitvoeringsregeling), wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten.
3.4. De ambtenaar, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft voor de onderbouwing van de door hem vastgestelde waarden verwezen naar een tweetal in zijn uitspraak genoemde vergelijkingsobjecten alsmede naar een door A opgemaakt taxatieverslag d.d. 20 september 2001 waaruit een waarde van ƒ 462.000,-- (€ 209.646,--) blijkt.
3.5. Voorzover de belanghebbende bepleit dat de waarde niet kan worden afgeleid van de transactiewaarden van referentieobjecten, overweegt het hof dat de transactiewaarden zijn bedoeld om als bevestiging van de vastgestelde waarde te dienen. Daarbij is niet vereist dat een referentieobject identiek is aan de onroerende zaak waarvan de waarde dient te worden vastgesteld. Het hof is dan ook van oordeel dat de genoemde vergelijkingsobjecten de door de ambtenaar vastgestelde waarde in voldoende mate onderbouwen en dat de verschillen tussen de onroerende zaak enerzijds en de referentieobjecten anderzijds in voldoende mate tot uitdrukking worden gebracht.
3.6. Voorzover de belanghebbende bepleit dat onvoldoende rekening is gehouden met de ligging van het object, het ontbreken van een kabelaansluiting en aansluiting op het riool, overweegt het hof dat deze aspecten in de uitspraak op het bezwaarschrift en in het verweerschrift zodanig zijn beschreven dat aldus aannemelijk is dat de ambtenaar in voldoende mate daarmee rekening heeft gehouden.
3.7. Op grond van de inhoud van het verweerschrift van de ambtenaar en het daarbij overgelegde taxatieverslag is het hof van oordeel dat de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak niet hoger heeft vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per waardepeildatum 1 januari 1999. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de grieven van belanghebbende niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
3.8. Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond.
4. De proceskosten.
Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5. De beslissing.
Het hof:
verklaart het beroep ongegrond.
Gedaan door mr Pruiksma, vice-president, voorzitter, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 16 januari 2004.
Op 21 januari 2004 afschrift
aangetekend verzonden aan beide partijen.