2. De feiten.
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:
2.1 Het pand a-kade 38 te Z is door belanghebbende in 1994 aangekocht voor f 420.000,-. Het naastgelegen pand a-kade 39-40 werd door hem in 1973 in eigendom verworven voor een bedrag van f 350.000,-. Nadien zijn diverse verbouwingen uitgevoerd.
2.2 De panden a-kade 38 en 40 worden door belanghebbende verhuurd aan B B.V., een vennootschap die een onderneming in kampeerartikelen drijft. Belanghebbende is directeur-grootaandeelhouder van die B.V.. Nummer 39 (bovenwoning) is de privé-woning van belanghebbende.
2.3 Op 30 juni 2000 verkoopt belanghebbende de panden a-kade 38 en 40 aan zijn zoon C voor een prijs van
f 1.200.000,- (nummer 38) en f 1.600.000,- (nummer 39-40), ofwel in totaal f 2.800.000,-. Desgevraagd verklaarde de gemachtigde van belanghebbende ter zitting dat die prijs van f 2.800.000,- op zakelijke wijze tussen partijen is totstandgekomen.
2.4 Voorafgaand aan voormelde transactie zijn in april 2000 twee taxaties uitgebracht, door respectievelijk Makelaardij D en Makelaardij E. D taxeerde de panden op f 2.100.000,-, terwijl E op een waarde van f 3.150.000,- kwam. Ter zitting verklaarde de gemachtigde dat de zoon geen kennis heeft gekregen van de taxatie van D ad f 2.100.000,-, aangezien hij anders niet bereid zou zijn geweest tot koop voor f 2.800.000,-. Die taxatie van D bleek overigens uit te gaan van een onjuiste bruto-oppervlakte van 3.380 m2, waar E en de ambtelijke taxateur een bruto-oppervlakte van 4.415 m2 berekenden.
2.5 Belanghebbende nam voormelde panden steeds op in zijn aangiften vermogensbelasting 1998, 1999 en 2000 voor respectievelijk f 552.000,- (nummer 38) en f 1.168.000,- (nummer 39-40), derhalve totaal f 1.720.000,-.
2.6 Voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2000 was de waarde van de onderhavige panden bepaald op f 1.820.000,-.
2.7 Bij een vanwege de inspecteur op 22 februari 2002 ingesteld onderzoek is de waarde in het economisch verkeer van nummer 38 en nummer 40 per 1 januari 1998, 1999 en 2000 bepaald op f 2.768.000,-. De huurcapaciteit werd daarbij gesteld op f 308.500,-. Bij die waardering is door de ambtelijke taxateur rekening gehouden met de na de verkoop aan de zoon uitgevoerde verbouwingen en verbeteringen in die zin dat de waarde daarvan niet is meegeteld.
2.8 De huuropbrengst van de panden a-kade 38 en 40 bedroeg in 1998 f 229.000,-, en in 1999 f 228.000,-.
2.9 Vorenvermelde feiten zijn voor de inspecteur de aanleiding geweest de waarde van de panden a-kade 38 en 40 voor de vermogensbelasting 1998 nader te bepalen op f 2.200.000,-, hetgeen een correctie op het aangegeven vermogen impliceerde van
f 480.000,-. Het aldus nader door de inspecteur vastgestelde belastbaar vermogen per 1 januari 1998 ad f 1.872.583,- werd begrepen in de onderhavige navorderingsaanslag. Bij de navorderingsaanslag werd tevens een boete van 25 procent opgelegd.
2.10 In bezwaar heeft belanghebbende zich verzet tegen de correctie. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur volhard in zijn standpunt.