ECLI:NL:GHLEE:2004:AO4465
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- E. Aardema
- G.M. van der Meer
- H.G.M. Dijstelbloem
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag en verhoging inkomstenbelasting na overdracht bedrijfspand
Belanghebbende voerde aan dat de navordering inkomstenbelasting 1995 onterecht was opgelegd omdat er geen nieuw feit was en geen sprake was van kwade trouw. Tevens stelde hij dat het bedrijfspand altijd zijn privévermogen was geweest en dat de navordering in het verkeerde jaar had plaatsgevonden. De inspecteur stelde dat sprake was van een nieuw feit en kwade trouw, omdat de BV haar aandeelhouder had bevoordeeld door het bedrijfspand tegen een te lage waarde over te dragen.
Het hof stelde vast dat de economische eigendom van het bedrijfspand vanaf 1989 bij de BV berustte en dat in 1995 een vermogensverschuiving had plaatsgevonden naar belanghebbende als aandeelhouder. Deze overdracht vond plaats tegen een waarde van ƒ 147.781,-- terwijl de werkelijke waarde ƒ 250.000,-- bedroeg, wat een bevoordeling inhield. Belanghebbende en de BV hadden nagelaten deze bevoordeling duidelijk te melden in de aangiften, waardoor sprake was van kwade trouw.
Het hof oordeelde dat de navorderingsaanslag en de verhoging terecht waren opgelegd en dat de redelijke termijn niet was overschreden gezien de complexiteit van de zaak en de procesgang. Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag en verhoging inkomstenbelasting 1995 wordt ongegrond verklaard.