AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen administratieve sanctie en zekerheidstelling bij detentie
De betrokkene was gedetineerd en kon daardoor de zekerheidstelling van €57,- niet voldoen, wat leidde tot niet-ontvankelijkheid van zijn beroep door de kantonrechter. Het hof oordeelt dat dit een ontoelaatbare beperking van het recht op toegang tot de rechter vormt. Daarom stelt het hof de zekerheidstelling op nihil en behandelt het de zaak inhoudelijk.
De betrokkene erkent de overtreding, namelijk het onrechtmatig gebruik van een busbaan, maar kan de boete niet betalen vanwege zijn minimale inkomen tijdens detentie. Het hof houdt rekening met zijn situatie en halveert de sanctie tot €28,50.
Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie voor zover het bedrag van de sanctie gehandhaafd bleef, en verklaart het beroep gegrond. De zaak wordt niet terugverwezen omdat de betrokkene verzocht heeft dat het hof zelf beslist.
Uitkomst: De administratieve sanctie wordt gehalveerd tot €28,50 en de zekerheidstelling op nihil gesteld wegens financiële onmogelijkheid tijdens detentie.
Uitspraak
WAHV 04/00137
3 mei 2004
CJIB 39057367692
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Groningen
van 19 november 2003
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
verblijvende te [plaatsnaam]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Groningen niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld ter zitting van 19 april 2004. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. K. Tienstra.
3. Beoordeling
3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn - in hoger beroep niet bestreden - vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en dat de betrokkene evenmin binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld, het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.
3.2. De betrokkene voert aan dat hij niet in staat is de van hem verlangde zekerheid te stellen, omdat hij gedetineerd is.
3.3. Vooropgesteld moet worden dat een zekerheidstelling ingevolge de WAHV in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter en dat het bij de huidige stand van zaken ervoor moet worden gehouden, dat van een zodanige belemmering geen sprake is in geval van de betrokkene een zekerheidstelling van €Euro 70,-- of minder is verlangd.
3.4. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRMPro gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.
3.5. Indien een betrokkene binnen de hem voor het stellen van zekerheid gegunde termijn met redenen omkleed aanvoert dat van hem in verband met zijn financieel onvermogen in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zekerheid stelt tot het totale van hem verlangde bedrag, zal de kantonrechter, tenzij deze het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare terechtzitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zonodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen deze alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen.
3.6. Bij brief van 22 september 2003 is de betrokkene gewezen op de verplichting vóór de behandeling van het tegen de beslissing van de officier van justitie ingediende beroepschrift door de kantonrechter een zekerheidstelling te betalen ter hoogte van het bedrag van de sanctie. Bij brief van 6 oktober 2003 is hij in de gelegenheid gesteld om alsnog aan die verplichting te voldoen. In reactie op de brief van 6 oktober 2003 geeft de betrokkene in zijn brief van 8 oktober 2003, ontvangen op 10 oktober 2003, te kennen dat hij sinds 11 april 2003 gedetineerd is en hij door gebrek aan inkomsten de zekerheidstelling van Euro€ 57,-niet kan voldoen. Ter zitting van het hof voert hij aan dat hij thans €Euro 6,- per week verdient, waarvan hij iedere week Euro€ 1,- overhoudt. Hij verwacht dat zijn financiële omstandigheden eerst in augustus 2004 weer verbeteren. Het is namelijk mogelijk dat hij dan voor elektronisch toezicht in aanmerking komt.
3.7. De kantonrechter heeft in de beslissing, waarvan beroep, overwogen dat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld binnen de hem gestelde termijn en dat de betrokkene geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat, hoewel niet tijdig zekerheid is gesteld, niet-ontvankelijkheid achterwege moet blijven. In aanmerking nemende, dat van algemene bekendheid is, dat gedurende een detentie de inkomsten van een betrokkene minimaal kunnen zijn heeft de kantonrechter, aangezien hij niet heeft gereageerd op de stelling van de betrokkene, dat hij niet in staat is zekerheid te stellen, niet gehandeld in overeenstemming met het onder 3.5. overwogene.
3.8. Uit het vorenoverwogene volgt, dat de kantonrechter het beroep van de betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.9. Ingevolge art. 20d, tweede lid, WAHV wijst het gerechtshof, indien de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd op de in artikel 14, tweede lid, genoemde grond, de zaak terug naar de rechtbank, tenzij door betrokkene de behandeling van het beroep door het gerechtshof zelf is verlangd. Nu de betrokkene het hof heeft verzocht om de zaak zelf af te doen, zal het hof de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank.
3.10. Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene voldoende aannemelijk gemaakt, dat de omvang van het gevraagde bedrag aan zekerheidstelling gelet op zijn huidige financiële omstandigheden een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRMPro gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. Het hof vindt in de omstandigheden van het geval aanleiding om de te stellen zekerheid vast te stellen op een bedrag van nihil. Dit brengt mee, dat de betrokkene niet opnieuw in de gelegenheid behoeft te worden gesteld om zekerheid te stellen en het hof de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie inhoudelijk zal beoordelen.
3.11. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro€ 57,- opgelegd ter zake van "als weggebruiker gebruik maken busbaan/-strook aangeduid met "bus" anders dan als bestuurder lijnbus of autobus", welke gedraging zou zijn verricht op 3 december 2002 op de Paterwoldseweg te Groningen.
3.12. De betrokkene betwist niet dat hij de gedraging heeft verricht, doch geeft te kennen, zoals hiervoor onder 3.6 reeds weergegeven, dat hij de boete niet kan betalen.
3.13. In aanmerking nemende enerzijds de huidige omstandigheden van de betrokkene en anderzijds de door hem uitgesproken verwachting vanaf augustus 2004 weer inkomsten te kunnen genereren zal het hof gelet op zijn persoonlijke omstandigheden het bedrag van de sanctie halveren.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie voor zover daarbij het bedrag van de sanctie in stand is gelaten en verklaart het beroep in zoverre gegrond;
wijzigt het bedrag van de administratieve sanctie in €Euro 28,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Bijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.