ECLI:NL:GHLEE:2004:AP1736

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
4 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK 2179/02 Inkomstenbelasting
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • E. Aardema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:75 AwbArt. 27d Algemene wet rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 1999 wegens inhoudelijke gebrek

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 38.459. Tegen deze aanslag werd een bezwaarschrift ingediend, waarop de inspecteur op 14 januari 2003 uitspraak deed en het bezwaar afwees. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in tegen de vermeende weigering van de inspecteur om op het bezwaarschrift te reageren.

Tijdens de procedure stelde belanghebbende grieven aan de formele gang van zaken, maar ontwikkelde geen inhoudelijke bezwaren tegen de uitspraak op het bezwaar. Het hof oordeelde dat het beroep mede gericht moest worden geacht tegen de uitspraak op het bezwaarschrift, waardoor de formele grieven geen doel treffen. Omdat geen inhoudelijke grieven werden aangevoerd, kon het beroep niet slagen.

Het hof verklaarde het beroep daarom ongegrond en wees een veroordeling in proceskosten af. De uitspraak werd op 4 juni 2004 gedaan en op 16 juni 2004 aangetekend aan partijen verzonden.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 1999 wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan inhoudelijke grieven.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Kenmerk: BK 2179/02 4 juni 2004
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de fictieve weigering van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 38.459,--.
1.2. Op 6 november 20002 heeft belanghebbende tegen deze aanslag een bezwaarschrift ingediend bij de inspecteur.
1.3. Op 24 december 2002 is bij het hof een beroepschrift (met bijlagen) ingediend door de gemachtigde van belanghebbende. Dit beroep richt zich tegen de weigering van de inspecteur te reageren op het onder punt 1.2 bedoelde bezwaarschrift.
1.4. Op 14 januari 2003 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift. Hierbij heeft de inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.5. Op 29 januari 2003 is een van belanghebbendes gemachtigde afkomstige brief (met bijlage) ingekomen bij het hof
1.6. De inspecteur heeft op 18 februari 2003 een verweerschrift (met bijlagen) bij het hof ingediend.
1.7. Van belanghebbendes gemachtigde is op 17 februari 2004 een fax ingekomen bij het hof.
1.8. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof op 18 februari 2004, gehouden te Groningen, alwaar de inspecteur aanwezig was. Belanghebbendes gemachtigde, die bij aangetekende brief d.d. 20 januari 2004 alsmede bij gewone brief is uitgenodigd om bij de mondeling behandeling aanwezig te zijn en in zijn fax d.d. 17 februari 2004 blijk heeft aangegeven op de hoogte te zijn van deze uitnodiging, is niet ter zitting verschenen.
1.9. Het hof heeft in deze zaak op 3 maart 2004 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 16 maart 2004, aan partijen is verzonden.
1.10. Bij schrijven ingekomen op 2 april 2004 heeft belanghebbendes gemachtigde op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.
1.11. De griffier heeft belanghebbendes gemachtigde bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 8 april 2004, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 23 april 2004 dat griffierecht voldaan.
1.12. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. De feiten
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:
2.1. Belanghebbende heeft voor de inkomstenbelasting over het jaar 1999 een belastbaar inkomen aangegeven van ƒ 33.886,--. In deze aangifte heeft belanghebbende een bedrag van ƒ 5.141,-- aan beroepskosten opgevoerd.
2.2. Aan belanghebbende is met dagtekening d.d. 12 november 2002 de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1999 opgelegd. Bij brief d.d. 6 november 2002 tekent belanghebbende tegen deze aanslag bezwaar aan.
2.3. Op 14 januari 2003 wijst de inspecteur het bezwaar van belanghebbende af.
2.4. Op 24 december 2002 wordt namens belanghebbende beroep ingesteld. Ter toelichting hierop wordt gesteld dat het beroep zich richt tegen de weigering van de inspecteur te reageren op het bezwaarschrift. De gemachtigde herhaalt zijn grieven bij zijn brief met bijlagen d.d. 20 januari 2003, nadat de inspecteur inmiddels op het bezwaarschrift had beslist. De gemachtigde doet dit wederom in zijn faxbericht van 17 februari 2004, dat hij naar het hof heeft gestuurd naar aanleiding van de uitnodiging voor de hiervoor gemelde behandeling ter zitting.
3. De standpunten van partijen
3.1. Belanghebbende heeft grieven tegen de formele gang van zaken ontwikkeld.
3.2. De inspecteur is van opvatting dat belanghebbendes grieven geen doel treffen.
3.3. Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het gerechtshof naar de van partijen afkomstige stukken alsmede het proces-verbaal van de zitting.
4. De rechtsoverwegingen
4.1. Voor de ontvankelijkheid van een ingesteld beroep is vereist dat het beroep is gericht tegen een besluit, zijnde in casu een uitspraak op een bezwaarschrift.
Een beroep kan echter tevens zijn gericht tegen het weigeren, dan wel het niet nemen van een besluit, hetgeen volgt uit de artikelen 6:2 en 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu de inspecteur na de indiening van het beroepschrift alsnog een uitspraak op het bezwaarschrift heeft gedaan gaat het hof ervan uit dat het beroepsschrift zich thans mede richt tegen deze uitspraak. De grieven zoals ontwikkeld tegen de formele gang van zaken treffen gelet op deze uitspraak geen doel. Belanghebbende heeft inhoudelijk tegen de beslissing geen grieven ontwikkeld, zodat het beroep om die reden evenmin kan slagen.
4.2. Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep ongegrond geoordeeld dient te worden.
4.3. Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5. De beslissing:
Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld op 4 juni 2004 door prof. mr. E. Aardema, vice-president, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra als griffier en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.
Op 16 juni 2004 afschrift
aangetekend verzonden aan beide partijen.