ECLI:NL:GHLEE:2004:AP1738

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK 151/03 WOZ
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.J.W. Drion
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet waardering onroerende zakenArt. 18 Wet waardering onroerende zakenArt. 4 Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zakenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over WOZ-waarde van onroerende zaak per 1 januari 1999

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn in 2001 gebouwde vrijstaande woning, gelegen aan a-straat 21 te Z, die door het hoofd van de centrale afdeling financiën van de gemeente Hoogeveen was vastgesteld op €251.467 per 1 januari 1999. Na bezwaar werd deze waarde verlaagd naar €219.356. Belanghebbende betwistte dat deze waarde correct was en stelde dat de waarde gebaseerd moest zijn op de bouwkosten van €197.242.

Het geschil spitste zich toe op de juiste waardebepaling per prijspeildatum 1 januari 1999. Het hof oordeelde dat de waarde moet worden bepaald volgens de Wet waardering onroerende zaken, waarbij de waarde in het economische verkeer centraal staat. De taxatie was gebaseerd op vergelijkingsmethode met referentiewoningen, waarbij vijf referentie-objecten werden gebruikt.

Het hof vond dat de gebruikte referentie-objecten een voldoende onderbouwing boden voor de vastgestelde waarde. De bouwkosten zijn slechts indicatief en niet bepalend voor de waarde. De taxatie was bovendien uitgevoerd door verschillende taxateurs en taxatiebureaus, wat de waarde niet aantastte. Omdat belanghebbende geen verdere gronden aanvoerde, verklaarde het hof het beroep ongegrond.

Proceskosten werden niet toegewezen. Het vonnis werd op 14 juni 2004 uitgesproken en op 16 juni 2004 verzonden.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €219.356 per 1 januari 1999 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Kenmerk: BK 151/03 14 juni 2004
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z
(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de centrale afdeling financiën van de gemeente Hoogeveen (: het hoofd), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet ).
1. Ontstaan en loop van het geding
Ingevolge de Wet heeft het hoofd de waarde met betrekking tot de onroerende zaak a-straat 21 te Z, waarvan belanghebbende eigenaar en/of gebruiker is, vastgesteld bij beschikking, met het nummer 00000, gedateerd 30 juni 2002. Daarbij is de waarde vastgesteld op € 251.467,--. Bij de uitspraak waarvan beroep, van 2 januari 2003, is deze waarde verlaagd en nader vastgesteld op € 219.356,--. Voor het jaar 2003 is de waarde vastgesteld op € 237.196,--.
Het beroepschrift (met bijlagen) is op 13 februari 2003 ter griffie van het hof ingekomen, en nader aangevuld bij schrijven (met bijlagen) d.d. 20 maart 2003. Het hoofd heeft vervolgens op 22 mei 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 april 2004, gehouden te Groningen, alwaar zijn verschenen belanghebbende en zijn echtgenote en namens het hoofd de heer A, taxateur.
Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. De feiten.
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:
2.1 Bij beschikking van 30 juni 2002 is door het hoofd ten aanzien van belanghebbende als eigenaar en/of gebruiker van de onroerende zaak a-straat 21 te Z (: de onroerende zaak/ de woning) de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004, maar de vastgestelde waarde geldt met ingang van 1 januari 2002. De onroerende zaak betreft een in 2001 gebouwde vrijstaande woning gelegen op een kavel van 576 m2.
2.2 Door het hoofd is aan de onroerende zaak per
waardepeildatum 1 januari 1999 en naar de toestand per 1 januari 2001 een waarde toegekend van € 251.467,--. In het kader van de bezwaarprocedure heeft de heffingsambtenaar deze waarde verlaagd en nader vastgesteld op € 219.356,--. In de uitspraak geeft het hoofd tevens aan dat voor het jaar 2003 een waarde zal gelden van € 237.196,--.
2.3 Ter onderbouwing van beide waarden verwijst het hoofd naar het in zijn opdracht op 14 mei 2003 opgestelde taxatierapport van B, NVM-makelaar o.z. werkzaam voor C te L.
3. Het geschil en de standpunten van partijen.
3.1 In geschil is de waarde van de onroerende zaak per prijspeildatum 1 januari 1999.
3.2 Belanghebbende is van mening dat de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag is vastgesteld. Zakelijk weergegeven voert belanghebbende hiertoe aan dat voor de bepaling van de waarde aansluiting moet worden gezocht bij de bouwkosten welke door belanghebbende worden gesteld op
€ 197.242,--.
3.3 Het hoofd stelt zich op het standpunt dat hij de waarde, in de bezwaarfase, correct heeft vastgesteld.
3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.
3.5 Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd, zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.
4. De overwegingen omtrent het geschil.
4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18 eerste lid van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle eigendom in gebruik zou kunnen nemen (: de waarde in het economische verkeer).
4.2 Op het hoofd rust de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 1999 -met inachtneming van de Wet- niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per deze datum.
4.3 Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de in artikel 17, tweede lid, van de Wet bedoelde waarde voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentiewoningen.
4.4 In het door het hoofd overgelegde taxatierapport worden de transactiesommen van vijf referentie-objecten vermeld.
Het hof is van oordeel dat de verkoopgegevens van deze objecten in beginsel een voldoende onderbouwing betekenen van de vastgestelde waarde.
Voorzover belanghebbende grieven heeft ontwikkeld tegen het gebruik van de onderhavige referentie-woningen overweegt het hof dat het gebruik van referentieobjecten is bedoeld om transactiewaarden te vergelijken en dat de verkoop van zodanige vergelijkingspercelen te allen tijde als bevestiging van de vastgestelde waarde kan dienen. Daarbij is niet noodzakelijk dat sprake is van identieke, dan wel identiek gelegen woningen.
Anders dan belanghebbende meent, zijn de gemaakte stichtingskosten voor een onroerende zaak niet bepalend voor de aan de onroerende zaak toe te kennen waarde, zij zijn slechts een indicatie.
De omstandigheid dat de eerste taxatie van de onroerende zaak, alsook de taxatie in de bezwaarfase is uitgevoerd door een voor hetzelfde taxatiebureau werkzame taxateur, doet op zichzelf beschouwd niets af aan de aan de taxatie toe te kennen waarde. Hierbij tekent het hof overigens nog aan dat de taxatie in de beroepsfase door een ander taxatiebureau is uitgevoerd.
Nu belanghebbende ook overigens niets heeft aangevoerd op grond waarvan het hof tot een ander oordeel dient te komen, staat op grond van het vorenstaande vast dat het hoofd de door hem vastgestelde waarde voldoende heeft onderbouwd.
5. De conclusie.
Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep ongegrond is.
6. De proceskosten.
Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
7. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld op 14 juni 2004 door mr F.J.W. Drion, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mw. mr H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.
Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden
op: 16 juni 2004