AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling waarde onroerende zaak volgens Wet waardering onroerende zaken
Het geschil betreft de vaststelling van de waarde van een kunstgrasveld te Z per prijspeildatum 1 januari 1999, vastgesteld door de heffingsambtenaar op ƒ 148.000,-- (€ 67.159,--). Belanghebbende betwist deze waarde als te hoog, verwijzend naar het bestemmingsplan en het ontbreken van waardebeschikkingen voor vergelijkbare hockeyvelden.
De heffingsambtenaar baseert de waarde op een taxatieverslag van mei 2001, waarin de waarde van grond en opstal conform wettelijke bepalingen is berekend. Het hof oordeelt dat de gebruikte waarde per m2 voldoende aannemelijk is en dat de stijging ten opzichte van de vorige waardering verklaarbaar is door ontwikkelingen in de marktwaarde.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de vergelijkingen niet gaan om gelijke gevallen en andere hockeyvelden niet in dezelfde gemeente liggen. Het hof concludeert dat de waarde correct is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van het kunstgrasveld wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Kenmerk: BK 1553/02 14 juni 2004
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z
(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Noordenveld (: de heffingsambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de ten aanzien van haar genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet ).
1. Ontstaan en loop van het geding
Ingevolge de Wet heeft de heffingsambtenaar de waarde met betrekking tot de onroerende zaak a-weg 2 0001 te Z, waarvan belanghebbende eigenaar en/of gebruiker is, vastgesteld bij beschikking, met het nummer 000000, gedateerd 31 maart 2001. Daarbij is de waarde vastgesteld op ƒ 148.000,-- (€ 67.159,--). Bij de uitspraak waarvan beroep, van 25 juni 2002, is deze waarde gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard.
Het pro forma beroepschrift is op 4 juli 2002 ter griffie van het hof ingekomen, en nader aangevuld bij schrijven (met bijlagen) d.d. 12 september 2002. De mondelinge behandeling in deze zaak heeft, met toestemming van partijen, plaatsgevonden ter zitting van 8 april 2004, gehouden te Groningen, alwaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, de heer A, en namens de heffingsambtenaar de heer B.
Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. De feiten.
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:
2.1 Bij beschikking van 31 maart 2001 is door de heffingsambtenaar ten aanzien van belanghebbende als eigenaar en/of gebruiker van de onroerende zaak a-weg 2 0001 te Z (: de onroerende zaak/ het hockeyveld) de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. De onroerende zaak betreft een kunstgrasveld met een oppervlakte van 5.905 m2.
2.2 Door de heffingsambtenaar is aan de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 1999 een waarde toegekend van
ƒ 148.000,-- (€ 67.159,--). In het kader van de bezwaarprocedure heeft de heffingsambtenaar deze waarde gehandhaafd.
2.3 Ter onderbouwing van deze waarde verwijst de heffingsambtenaar naar een in zijn opdracht op 18 mei 2001 opgesteld taxatieverslag.
3. Het geschil en de standpunten van partijen.
3.1 In geschil is de waarde van de onroerende zaak per prijspeildatum 1 januari 1999.
3.2 Belanghebbende is van mening dat de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende voert hiertoe -zakelijk weergegeven- aan dat de waarde van de onroerende zaak wordt gedrukt door het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast stelt belanghebbende dat de waarde in vergelijking met de vorige waarde is vervijfvoudigd en dat een gebruiker van een voormalig hockeyveld, een horeca-exploitant, geen waardebeschikking heeft ontvangen. Vele andere hockeyverenigingen in de drie noordelijke provincies hebben, zo voert belanghebbende aan, evenmin een waardebeschikking ontvangen.
3.3 De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat hij de waarde correct heeft vastgesteld.
3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.
3.5 Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd, zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.
4. De overwegingen omtrent het geschil.
4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18 eerste lid van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle eigendom in gebruik zou kunnen nemen (: de waarde in het economische verkeer). Op grond van het derde lid van artikel 17 vanPro de Wet wordt de waarde van een onroerende zaak, voorzover deze niet tot woning dient, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan de waarde in het economische verkeer.
4.2 Op de heffingsambtenaar rust de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 1999 -met inachtneming van de Wet- niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per deze datum.
4.3 Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (: de Uitvoeringsregeling), wordt de in artikel 17, derde lid, van de Wet bedoelde waarde voor niet-woningen berekend door de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen bij de waarde van de opstal van de onroerende zaak.
4.4 In het door de heffingsambtenaar overgelegde taxatieverslag worden de waarden van de verschillende onderdelen van de onroerende zaak, rekening houdend met de levensduur, restwaarde en de technische en functionele veroudering berekend en bij elkaar geteld. Ten aanzien van de bezwaren van belanghebbende welke zijn gericht tegen de eigenlijke waardering overweegt het hof het volgende.
De in het taxatieverslag gehanteerde waarde van ƒ 25,-- per m2 acht het hof voldoende aannemelijk gemaakt. Omtrent de stijging van de onderhavige waarde ten opzichte van de waarde zoals deze gold voor het vorige tijdvak, overweegt het hof dat deze door belanghebbende gemaakte vergelijking haar niet kan baten omdat het wetsvoorschrift tot hernieuwde vaststelling van deze grondslag na ten hoogste vijf jaar juist voortvloeit uit onberekenbare ontwikkelingen in zoveel jaren van de waarde van een bepaalde onroerende zaak in het economisch verkeer.
Nu het verslag voorts is opgemaakt conform de daarvoor geldende wettelijke bepalingen en belanghebbende de wijze van berekenen, anders dan hiervoor weergegeven inhoudelijk, niet heeft bestreden is het hof van oordeel dat de vastgestelde waarde voor de onroerende zaak correct is vastgesteld.
Met de stelling dat aan de onroerende zaak geen, dan wel een geringe waarde in het economische verkeer dient te worden toegekend, miskent belanghebbende dat het in casu niet gaat om de waarde in het economische verkeer maar om de (hogere) gecorrigeerde vervangingswaarde. Het gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel kan belanghebbende niet baten, nu belanghebbende ter onderbouwing van dit beroep ter zake van het hockeyveld met kunstgrasveld, verwijst naar een voetbalveld. Van gelijke gevallen kan mitsdien niet worden gesproken. De omstandigheid dat andere hockeyveld gebruikers nièt een waardebeschikking hebben ontvangen, maakt evenmin dat belanghebbende zich met succes op het gelijkheidsbeginsel kan beroepen. Vast staat immers dat het hierbij niet gaat om eveneens in de gemeente Noordenveld gelegen hockeyvelden. Nu belanghebbende ook overigens niets heeft aangevoerd op grond waarvan het hof tot een ander oordeel dient te komen, staat op grond van het vorenstaande vast dat de heffingsambtenaar de door hem vastgestelde waarde voldoende heeft onderbouwd.
5. De conclusie.
Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep ongegrond is.
6. De proceskosten.
Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
7. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld op 14 juni 2004 door mr F.J.W. Drion, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mw. mr H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.
Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden