ECLI:NL:GHLEE:2004:AP1777

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
11 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK 1493/02 WOZ
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WOZArt. 18 WOZArt. 4 Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling WOZArt. 8:74 lid 1 AwbArt. 8:75 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over WOZ-waarde horecapand aan het A-plein 18 te Z per 1 januari 1999

De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een horecapand aan het A-plein 18 te Z, met waardepeildatum 1 januari 1999. De heffingsambtenaar had de waarde aanvankelijk vastgesteld op € 115.260, welke bij uitspraak van 22 mei 2002 werd gehandhaafd. In beroep stelde de heffingsambtenaar een lagere waarde van € 99.831 voor, terwijl belanghebbende een waarde van € 83.950 aanvoerde.

Tijdens de mondelinge behandeling op 13 april 2004 werden de standpunten toegelicht. Belanghebbende betwistte de gehanteerde huurwaarden en kapitalisatiefactor, terwijl de heffingsambtenaar verwees naar een gedegen taxatierapport van WOZ-taxateurs uit december 2002. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast had voldaan en dat het taxatierapport een betrouwbare onderbouwing bood.

Het hof overwoog dat de gebruikte transacties, ook al betrof het panden waarbij belanghebbende betrokken was, bruikbaar waren gezien het beperkte aantal beschikbare referentieobjecten. De gehanteerde huurprijzen per vierkante meter en de kapitalisatiefactor van 8,8 werden als redelijk beoordeeld, mede in vergelijking met andere horecapanden in de omgeving.

Gelet op deze overwegingen verklaarde het hof het beroep gegrond en stelde de WOZ-waarde vast op € 99.831. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende.

Uitkomst: Het gerechtshof stelt de WOZ-waarde van het horecapand vast op € 99.831 en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Kenmerk: BK 1493/02 11 juni 2004
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de vennootschap onder firma X te Z tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Meppel (de heffingsambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de ten aanzien van haar genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ).
1. Ontstaan en loop van het geding.
Ingevolge de WOZ heeft de heffingsambtenaar de waarde met betrekking tot de onroerende zaak aan het a-plein 18 te Z (: de onroerende zaak), waarvan de belanghebbende eigenaresse en/of huurster is, vastgesteld bij beschikking onder nummer 0000/0005, gedateerd 28 februari 2001. Daarbij is de waarde voor de onroerende zaak vastgesteld op € 115.260,-- (ƒ 254.000,--). Bij de uitspraak waarvan beroep, gedagtekend 22 mei 2002, heeft de heffingsambtenaar deze waarde gehandhaafd.
Het pro-forma beroepschrift is op 1 juli 2002 ter griffie ingekomen, waarna de gronden door belanghebbende zijn aangevuld bij brief (met bijlagen) van 30 juli 2002, ontvangen door de griffie op 30 juli 2002. De heffingsambtenaar heeft op 17 maart 2003 het verweerschrift (met bijlagen) ingediend.
Bij de mondelinge behandeling van het beroep ter zitting van 13 april 2004, gehouden te Leeuwarden, is de heer A verschenen, vergezeld van de gemachtigde de heer ing. B, werkzaam bij C te Z. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door de heer D, werkzaam bij de gemeente Meppel, vergezeld van de heer E, werkzaam bij taxatiebureau F. Zonder bezwaar van de zijde van de heffingsambtenaar heeft belanghebbendes gemachtigde twee bijlagen overgelegd. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. De feiten.
Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast:
2.1 Bij beschikking van 28 februari 2001 is door de heffingsambtenaar ten aanzien van de belanghebbende als eigenaresse en/of huurster van de onroerende zaak aan het a-plein 18 te Z de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. De waardepeildatum is 1 januari 1999. Het betreft een omstreeks het jaartal 1900 gebouwd pand, dat na enkele keren is verbouwd en thans in gebruik is als horecagelegenheid (café). De begane grond van 33 m² wordt als café gebruikt, in de kelder bevinden zich de toiletten en de eerste en tweede verdieping met een bruto-inhoud van 200 m³ is woongedeelte.
2.2 De door de heffingsambtenaar aan de onroerende zaak toegekende waarde bedraagt per waardepeildatum 1 januari 1999 € 115.260,-- (ƒ 254.000,--). Bij de bestreden uitspraak is deze vastgestelde waarde gehandhaafd. In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat de onroerende zaak te groot is afgebakend en dat om die reden de eerder vastgestelde WOZ-waarde niet langer wordt gehandhaafd en nader dient te worden vastgesteld op € 99.831,-- (ƒ 220.000,--).
3. Het geschil en de standpunten van partijen.
3.1 Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1999.
3.2 Belanghebbende staat een waarde voor van € 83.950,-- (ƒ 185.000,--). Belanghebbende is van mening dat de onderlinge verschillen in huurwaarde tussen de horecagelegenheden welke in dezelfde omgeving zijn gevestigd onevenredig groot zijn en dat een onderbouwing en juiste vergelijking ontbreekt. Belanghebbende acht een huurwaarde van ƒ 275,-- per m² voor het cafégedeelte en ƒ 150,-- per m² voor de toiletten meer in de rede liggen dan de door de heffingsambtenaar voorgestane waarde van respectievelijk ƒ 435,-- en f. 210,-- per m². Voorts is volgens belanghebbende een lagere kapitalisatiefactor gerechtvaardigd. In dat verband wijst belanghebbende er op dat de assurantiepremie in de horeca aanzienlijk hoger ligt dan voor andere branches, hetgeen de exploitatielasten gemiddeld met 0,6 % doet stijgen. Belanghebbende vindt een kapitalisatiefactor van 8,5 reëel. Belanghebbende ageert voorts tegen het feit dat ter vergelijking veelal transacties zijn gebruikt van horecapanden, waarbij belanghebbende zelf betrokken is geweest.
3.3 De heffingsambtenaar bestrijdt belanghebbendes grieven.
4. De overwegingen omtrent het geschil:
4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid,
WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (hierna: de waarde in het economische verkeer).
Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de waarde voor niet-woningen onder meer bepaald door middel van een methode van kapitalisatie van de bruto huur of door middel van een methode van vergelijking met referentiepanden.
4.2 Op de heffingsambtenaar rust - bij betwisting - de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 1999 - met inachtneming van de WOZ - niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per genoemde datum. Ter onderbouwing van de door hem in beroep voorgestane waarde van de onroerende zaak heeft de heffingsambtenaar verwezen naar het in december 2002 door de WOZ-taxateurs ing. G en H, werkzaam voor F, opgemaakte taxatierapport.
4.3 Naar het oordeel van het hof is de heffingsambtenaar, gelet op het goed onderbouwde taxatierapport, ten aanzien van de in beroep voorgestane waarde van de onroerende zaak, in de op hem rustende bewijslast geslaagd.
4.4 De taxatiewaarde van de onroerende zaak is in het taxatierapport gedetailleerd en inzichtelijk onderbouwd en de waarde is getoetst aan in de nabijheid gelegen voor vergelijkbare onroerende zaken gerealiseerde transactie- en huurcijfers. Dat hierbij onder meer gebruik is gemaakt van transactie- en/of huurcijfers van panden waarbij belanghebbende betrokken was, doet niet af aan de bruikbaarheid van deze transactiecijfers. Immers tussen partijen is niet in geschil dat er weinig transactiegegevens voorhanden zijn en dat waar deze gegevens wel voorhanden waren deze ook daadwerkelijk zijn gebruikt als referentieobject. De vergelijkbare onroerende zaken hoeven bovendien niet identiek aan de te waarderen objecten te zijn, mits zoals in casu met de onderlinge verschillen maar voldoende rekening wordt gehouden.
4.5 Anders dan belanghebbende voorstaat, kunnen de afzonderlijke elementen van de taxatieopbouw (waaronder de prijs per vierkante meter) niet apart op hun juistheid beoordeeld worden. De taxatieopbouw kan slechts worden gezien als een
hulp-/controlemiddel bij de waardevaststelling. Het gerechtshof ziet bovendien geen aanleiding aan de vastgestelde huurwaarde per m² te twijfelen gelet op de in het verweerschrift genoemde en nader uitgesplitste huurcijfers per m² voor enkele andere aan het a-plein gelegen horecagelegenheden. De hogere huurprijs voor dit pand in verhouding tot de twee andere genoemde horecapanden aan het a-plein op nrs. 14, 15/16 is naar het oordeel van het gerechtshof mede te verklaren uit het geringe aantal m² van het cafégedeelte ten opzichte de twee andere horecapanden met oppervlakten van respectievelijk 102 m² en 152m².
4.6 Voorts overweegt het gerechtshof dat door bij het bepalen van de kapitalisatiefactor gebruik te maken van kengetallen, de heffingsambtenaar naar het oordeel van het gerechtshof voldoende rekening heeft gehouden met de kosten en lasten die het exploiteren van een horecazaak met zich brengt. Als hiertegen door belanghebbende is aangevoerd dat hierbij onvoldoende rekening is gehouden met de voor de horecabranche geldende hogere verzekeringspremies, wijst het gerechtshof erop dat de kapitalisatiefactor van de onderhavige onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld als deze wordt afgezet tegen de kapitalisatiefactoren van de horecapanden a-plein 9 en a-straat 10, waarvan de kapitalisatiefactoren respectievelijk 9,36 en 9 bedragen. Niet gezegd kan daarom worden dat de heffingsambtenaar door de kapitalisatiefactor voor de onderhavige onroerende zaak op 8,8 vast te stellen van een te hoge factor is uitgegaan.
Uit hetgeen de belanghebbende heeft gesteld kan dan ook geenszins de conclusie worden getrokken dat de in het taxatierapport gehanteerde kapitalisatiefactor onjuist is.
5. De conclusie
Nu ook anderszins geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die een verdere verlaging van de in beroep voorgestane waarde rechtvaardigen, moet het beroep gegrond worden verklaard en dient de WOZ-waarde van onderhavige onroerende zaak te worden vastgesteld op € 99.831,-- (ƒ 220.000,--).
6. Griffierechten
Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient de heffingsambtenaar het door belanghebbende gestorte griffierecht van € 29,- te vergoeden.
7. De proceskosten
Het gerechtshof acht termen aanwezig, op grond van art. 8:75 lid 1 Awb Pro de heffingsambtenaar in de proceskosten te veroordelen.
Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (: het Besluit) belopen de proceskosten van belanghebbende € 644,-, ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (indiening beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,-), alsmede wegens reiskosten € 17,30 (Z - L v.v. op basis van openbaar vervoer Nederlandse Spoorwegen tweede klas 2). Het gerechtshof wijst de gemeente Meppel aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. Gelet op het forfaitaire systeem van het Besluit komt hetgeen meer of anders door belanghebbende is gevorderd aan proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking.
8. De beslissing
Het gerechtshof:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak waarvan beroep alsmede de primaire
waardebeschikking betrekking hebbend op de onroerende zaak
a-plein 18 te Z;
- stelt de waarde van de onroerende zaak vast op € 99.831,--
(ƒ 220.000,--);
- gelast dat de heffingsambtenaar het door de belanghebbende
betaalde griffierecht ad € 29,--aan haar vergoedt en wijst de
gemeente Meppel aan als de rechtspersoon die deze kosten dient
te dragen;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van
belanghebbende ten bedrage van € 661,30, aan belanghebbende te
vergoeden door de gemeente Meppel.
Aldus vastgesteld en ter openbare zitting van het gerechtshof Leeuwarden op 11 juni 2004 uitgesproken door mr. G.M. van der Meer, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong als griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen op: 16 juni 2004