ECLI:NL:GHLEE:2004:AQ7428

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
20 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK 281/03 Inkomstenbelasting
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 Wet IB 2001Art. 6:14 Wet IB 2001Art. 8:75 AwbWet Studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aftrek levensonderhoud studerende stiefdochter met basisbeurs

Belanghebbende had in haar aangifte inkomstenbelasting 2001 een aftrekpost van €1.224 opgevoerd voor uitgaven levensonderhoud van haar stiefdochter, die een MBO-opleiding volgt en een basisbeurs ontvangt. De inspecteur weigerde deze aftrekpost op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Het geschil betrof de vraag of aftrek voor levensonderhoud mogelijk is indien het kind recht heeft op een basisbeurs volgens de Wet Studiefinanciering 2000. Belanghebbende stelde dat de wettelijke beperking onredelijk was omdat haar echtgenoot de studiekosten betaalt en de dochter slechts een basisbeurs ontvangt.

Het gerechtshof oordeelde dat de wetgever bevoegd is om aftrek uitgaven levensonderhoud uit te sluiten indien het kind een basisbeurs ontvangt. De beperking druist niet in tegen redelijkheid en billijkheid, ook niet gezien de aanvullende bijdrage die van ouders wordt verwacht. Daarom is de weigering van de aftrek terecht en wordt het beroep ongegrond verklaard.

De proceskosten worden niet aan belanghebbende opgelegd. De uitspraak werd op 20 augustus 2004 door het gerechtshof Leeuwarden gedaan.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2001 wordt bevestigd.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Kenmerk: BK 281/03 20 augustus 2004
Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen Kempkensberg (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de haar voor het jaar 2001 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) opgelegde aanslag.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1 Aan de belanghebbende is op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 (: de Wet IB), met dagtekening 18 decmeber 2002 een aanslag IB/PV opgelegd berekend naar een verzamelinkomen van € 40.836,--.
1.2 Het tegen deze aanslag tijdig door belanghebbende ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak, gedagtekend 13 maart 2003, gedeeltelijk gegrond verklaard. De inspecteur heeft de aanslag hierbij nader vastgesteld op € 40.047,--.
1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij beroepschrift (met bijlagen), dat op 21 maart 2003 bij het gerechtshof is ingekomen.
1.4 De inspecteur heeft op 28 mei 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.
1.5 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 2 juni 2004, gehouden te Groningen. Namens belanghebbende is verschenen haar echtgenoot, de heer A. Tevens is ter zitting de inspecteur verschenen.
1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. De feiten
Blijkens de gedingstukken staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen het volgende vast.
De belanghebbende, geboren op .. oktober 19.., is werkzaam bij B BV. In de aangifte IB/PV 2001 heeft belanghebbende een aftrekpost opgevoerd ter hoogte van € 1.224,-- voor uitgaven voor levensonderhoud voor A, geboren op .. januari 19... Dit betreft een dochter uit een eerder huwelijk van de echtgenoot van de belanghebbende. Deze dochter volgt een MBO-opleiding en heeft in 2001 een basisbeurs ontvangen. De inspecteur heeft deze aftrekpost geweigerd.
3. Het geschil en de standpunten van partijen
3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek voor uitgaven van levensonderhoud tot een bedrag van € 1.224,--. Belanghebbende is van mening dat zij hierop recht heeft, omdat haar echtgenoot de studiekosten van zijn dochter betaalt en laatstgenoemde daardoor in belangrijke mate onderhoudt. Dat de dochter een basisbeurs ontvangt mag volgens belanghebbende deze aftrek niet in de weg staan. Volgens belanghebbende druist de wettelijke beperking daartoe dan ook in tegen de redelijkheid en de billijkheid. De inspecteur is daarentegen van mening dat nu de dochter recht heeft op een basisbeurs, aftrek van uitgaven voor levensonderhoud wettelijk is uitgesloten, zodat de aftrek terecht niet is toegelaten.
3.2 Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst het gerechtshof naar de gedingstukken.
4. De overwegingen omtrent het geschil
4.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 6.13 lid 1 Wet IB worden als uitgaven voor levensonderhoud aangemerkt uitgaven voor kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. In artikel 6.14 lid 1 onder c van de Wet IB worden uitgaven voor levensonderhoud van een kind niet in aanmerking genomen, indien het kind recht heeft op een gift, een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs volgens de Wet Studiefinanciering 2000 die niet uitsluitend bestaat uit een reisvoorziening in de zin van die wet.
4.2 In laatstgenoemde wetsbepaling wordt derhalve uitdrukkelijk de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van een kind uitgesloten indien het kind recht heeft op een basisbeurs ingevolge de Wet Studiefinanciering 2000. Naar het oordeel van het gerechtshof staat het de wetgever vrij om ouders van kinderen die op grond van de Wet Studiefinanciering 2000 een basisbeurs genieten niet verder te faciliteren via een persoonsgebonden aftrek. Derhalve kan niet worden gezegd dat een dergelijke beperking indruist tegen de redelijkheid en de billijkheid. Dat de Wet Studiefinanciering 2000 van een andere benadering uitgaat waardoor de dochter gelet op het inkomen van belanghebbende niet in aanmerking komt voor een aanvullende beurs met volgens belanghebbende als gevolg dat door de wetgever kennelijk van een ouder wordt verwacht dat wordt bijgedragen in de uitgaven voor levensonderhoud van een studerend kind, maakt het vorenstaande niet anders. De inspecteur heeft derhalve de onderhavige aftrekpost terecht geweigerd.
4.3 Het vorenoverwogene brengt mee dat het gerechtshof het beroep ongegrond zal verklaren.
5. De proceskosten
Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
6. De beslissing
Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld op 20 augustus 2004 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong als griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan beide
partijen op 25 augustus 2004