ECLI:NL:GHLEE:2004:AR3962
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- prof. mr. Aardema
- mr. Van der Meer
- mr. Van Westen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling deelnemingsvrijstelling bij bate uit joint-venture overeenkomst in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een besloten vennootschap, vormde samen met haar dochtermaatschappij een fiscale eenheid en was partij bij een joint-venture overeenkomst met D BV, gericht op handel in aardolieproducten. In 1998 ontving belanghebbende een bate van f. 66.647,-- op grond van een winstgarantieclausule in deze overeenkomst.
Belanghebbende bracht deze bate in onder de deelnemingsvrijstelling bij haar vennootschapsbelastingaangifte, maar de inspecteur wees dit af en stelde de aanslag bij. Het geschil betrof de vraag of deze bate als voordeel uit hoofde van een deelneming viel en dus onder de deelnemingsvrijstelling kon worden gebracht.
Het hof stelde vast dat de bate voortkwam uit de marktpositie die belanghebbende innam ten opzichte van D BV bij het aangaan van de joint-venture, en niet uit de deelneming zelf. Hierdoor kon de bate niet worden aangemerkt als een voordeel uit deelneming in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
De inspecteur had het beroep ongegrond verklaard en het hof bevestigde dit oordeel. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting wordt gehandhaafd.