ECLI:NL:GHLEE:2004:AR5178
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- mr. Weenink
- mr. Wijma
- Rechtspraak.nl
Oordeel over de rechtsgeldigheid van een snelheidsmeting met een lasergun en de vereisten voor verkeersborden binnen de bebouwde kom
In deze zaak heeft het Gerechtshof Leeuwarden op 25 augustus 2004 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam van 3 februari 2004. De betrokkene, die als kentekenhouder was aangesproken, had een administratieve sanctie van Euro 92,- opgelegd gekregen wegens overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom. De gedraging vond plaats op 16 oktober 2002 op de Spaklerweg in Duivendrecht, waar de betrokkene meer dan 20 km/h te hard zou hebben gereden. De betrokkene ontkende de gedraging en voerde aan dat hij ten tijde van de overtreding op zijn werk in Utrecht was. Hij betwistte ook de rechtsgeldigheid van de meting, die met een lasergun was uitgevoerd door één verbalisant, en stelde dat er geen verkeersborden aanwezig waren die de maximumsnelheid aangaven.
Het hof heeft de argumenten van de betrokkene beoordeeld en kwam tot de conclusie dat er geen reden was om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De meting was uitgevoerd met een goedgekeurd verkeersmeetmiddel en de betrokkene had geen bewijs geleverd voor zijn alibi. Het hof oordeelde dat de gedraging onbetwistbaar had plaatsgevonden en dat de administratieve sanctie terecht was opgelegd. Bovendien stelde het hof vast dat er geen rechtsregel bestaat die vereist dat een meting met een lasergun door twee verbalisanten moet worden uitgevoerd. Ook was het hof van mening dat de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, die 50 km/h bedraagt, duidelijk was, ongeacht het ontbreken van verkeersborden. De wegbeheerder is verantwoordelijk voor het plaatsen van borden, maar de afwezigheid daarvan maakt de sanctie niet onterecht.
Uiteindelijk bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter, waarmee de opgelegde sanctie in stand bleef. Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting.