ECLI:NL:GHLEE:2005:AS2230
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E. Aardema
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof Leeuwarden vermindert belastbaar inkomen uit sparen en beleggen na overlijden partner
De belanghebbenden, erven van de heer A, maakten bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PV) over het jaar 2001, waarin het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen was vastgesteld. De heer A overleed op 27 april 2001, waarna discussie ontstond over de juiste rendementsgrondslag en de toepassing van artikel 2.17, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet). De inspecteur had het voordeel uit sparen en beleggen vastgesteld op € 32.862, terwijl de belanghebbenden een lagere berekening voorstelden op basis van tijdsevenredige toepassing van het percentage van 4%.
Het gerechtshof oordeelde dat de keuze voor het voljaarpartnerschap ex artikel 2.17, zevende lid, van de Wet niet meer kan worden herzien nadat de aanslag onherroepelijk is geworden. Tevens werd artikel 5.4, vijfde lid, van de Wet als lex specialis aangemerkt, waardoor bij de berekening van het forfaitair rendement de overlijdensdatum als einddatum geldt. De rendementsgrondslag per overlijdensdatum werd vastgesteld op € 845.468, een reële benadering die door partijen niet werd betwist.
Het hof berekende het voordeel uit sparen en beleggen vervolgens als 1% van € 798.978 (de helft van de som van de rendementsgrondslagen per 1 januari en overlijdensdatum minus het heffingsvrije vermogen). Hiermee werd het voordeel aanzienlijk lager vastgesteld dan door de inspecteur. Het hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de bestreden uitspraak en verminderde de aanslag dienovereenkomstig. Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 805 aan de belanghebbenden.
Uitkomst: Het gerechtshof heeft de aanslag inkomstenbelasting 2001 verminderd door het voordeel uit sparen en beleggen tijdsevenredig te berekenen tot € 7.989.