ECLI:NL:GHLEE:2005:AS5560
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van materiële successierechtschuld bij vaststelling rendementsgrondslag inkomstenbelasting 2001
Belanghebbende kreeg in 2001 twee erfenissen, voornamelijk bestaande uit aandelen, zonder dat successierecht werd opgelegd of betaald in dat jaar. Bij de aangifte IB/PV 2001 nam hij een geschatte successierechtschuld van €375.322 op als schuld in de rendementsgrondslag. De inspecteur negeerde deze schuld bij de aanslag en handhaafde dit na bezwaar. Het geschil betrof of deze materiële belastingschuld in aanmerking moest worden genomen.
Het hof overwoog dat artikel 5.3 Wet IB 2001 expliciet voorschrijft dat schulden voortvloeiend uit belastingwetten waarop de AWR van toepassing is, niet tot de rendementsgrondslag mogen worden gerekend. Successierecht valt onder deze categorie. De wetgever heeft bewust gekozen voor deze regeling om administratieve lasten en uitvoeringslasten te beperken, ondanks het advies van de Raad van State dat deze bepaling te ruim is.
Belanghebbendes beroep op dubbele belastingheffing en het gelijkheidsbeginsel werd verworpen, omdat inkomstenbelasting en successierecht verschillende heffingen betreffen en de feitelijke situatie van belanghebbende verschilt van situaties waarin successierecht is opgelegd en betaald in het jaar van verkrijging. Ook het beroep op artikel 293 EG Pro-Verdrag faalde wegens het ontbreken van een grensoverschrijdende situatie.
Het hof concludeerde dat het niet aan de rechter is om de wet inhoudelijk te beoordelen en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de geldende interpretatie van de Wet IB 2001 en de beleidsmatige keuzes van de wetgever inzake de rendementsgrondslag.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2001 wordt ongegrond verklaard; de materiële successierechtschuld wordt niet in de rendementsgrondslag betrokken.