ECLI:NL:GHLEE:2005:AS7289
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbare eigenwoningschuld en vertrouwen op hypotheekschuld in inkomstenbelasting 2001
De belanghebbende was gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en na echtscheiding toegescheiden tot de eigen woning met een overbedeling. De totale hypotheekschuld bedroeg per 31 december 2001 ƒ 235.000,--. De kern van het geschil betrof welk deel van deze schuld als eigenwoningschuld kon worden aangemerkt voor aftrek van rente in de inkomstenbelasting 2001. Tevens was in geschil of de belanghebbende mocht vertrouwen op de brief van de inspecteur van 21 februari 2000 waarin een hypotheekschuld van ƒ 167.500,-- werd genoemd.
De belanghebbende stelde dat de verhogingen in 1996 en 1998 volledig waren gebruikt voor de eigen woning en dat het vertrouwen op de brief gerechtvaardigd was. De inspecteur stelde dat slechts een deel van de verhogingen als eigenwoningschuld kon worden aangemerkt en dat geen sprake was van opgewekt vertrouwen. Het hof oordeelde dat de belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de volledige verhogingen waren besteed aan de woning, mede gelet op het ontbreken van voldoende bewijsstukken die het causale verband konden staven. Ook was geen sprake van een misbruik van bevoegdheid door de inspecteur of van een gerechtvaardigd vertrouwen.
Het hof verklaarde het beroep gegrond voor zover de inspecteur het verzamelinkomen had vastgesteld op een te hoog bedrag en stelde het belastbaar inkomen vast op € 25.938,--. Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van € 483,--, te dragen door de Staat der Nederlanden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het belastbaar inkomen vastgesteld op € 25.938,-- met toekenning van een proceskostenvergoeding van € 483,--.