ECLI:NL:GHLEE:2005:AT1145
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Bax-Stegenga
- Meijeringh
- De Bock
- Streppel
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis in civiele procedure
In deze civiele procedure stond de ontvankelijkheid van het verzet tegen een verstekvonnis centraal. De geïntimeerde had verzet ingesteld tegen een verstekvonnis van de rechtbank Groningen, waarbij hij in privé was veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag. De rechtbank had in tussenvonnissen de ontvankelijkheid van het verzet beoordeeld, waarbij de vraag speelde of het verstekvonnis aan de geïntimeerde in persoon was betekend.
Het hof stelde vast dat het deurwaardersexploit van 6 december 2000 aan de geïntimeerde in persoon was betekend, wat dwingend bewijs opleverde dat hij van het vonnis op de hoogte was. De geïntimeerde voerde aan dat hij niet in privé was veroordeeld, maar als bestuurder van een vennootschap die de vordering zou moeten voldoen. Het hof oordeelde echter dat uit de stukken bleek dat de vennootschap niet als handelsnaam 'Independent Brains' voerde en dat de geïntimeerde als eigenaar van een eenmanszaak was veroordeeld.
Omdat de geïntimeerde niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na betekening verzet had ingesteld, werd hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet. Het hof vernietigde de tussenvonnissen van de rechtbank en veroordeelde de geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties.
Uitkomst: De geïntimeerde wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen het verstekvonnis wegens overschrijding van de verzettermijn.