ECLI:NL:GHLEE:2005:AT3283
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op alleenstaande-ouderkorting bij co-ouderschap zonder gezamenlijke inschrijving kind
De belanghebbende, ongehuwd en co-ouder van zijn dochter, vordert alleenstaande-ouderkorting over het jaar 2001. Hoewel hij en de moeder van het kind de opvoeding gelijk verdelen en het kind evenveel bij beide verblijft, staat het kind niet op zijn adres ingeschreven, maar op dat van de moeder. De inspecteur weigert daarom de alleenstaande-ouderkorting toe te kennen.
Het geschil spitst zich toe op de uitleg van artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001, dat vereist dat het kind op hetzelfde adres als de belastingplichtige staat ingeschreven. De belanghebbende betoogt dat dit criterium discriminerend is en strijdig met het gelijkheidsbeginsel uit de Grondwet en het EVRM.
Het gerechtshof stelt vast dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het criterium van inschrijving op hetzelfde adres om dubbele tegemoetkomingen bij co-ouderschap te voorkomen. Dit criterium is helder en praktisch uitvoerbaar. Het hof verwijst naar jurisprudentie en parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat er geen sprake is van evidente disproportionaliteit of discriminatie.
Het hof concludeert dat de weigering van de alleenstaande-ouderkorting in deze situatie gerechtvaardigd is en verklaart het beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten aan de inspecteur toegekend.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van alleenstaande-ouderkorting.