4. De overwegingen omtrent het geschil
4.1. Ingevolge de artikelen 14, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 en 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) dient de over het eerste kwartaal van het jaar 2004 verschuldigde omzetbelasting vóór 1 mei 2004 te zijn betaald. De onderhavige betaling is op 3 mei 2004 bij de belastingdienst binnengekomen.
1.2. De inspecteur stelt dat belanghebbende in de laatste zeven aan het eerste kwartaal van het jaar 2004 voorafgaande tijdvakken tweemaal te laat heeft betaald en dat deze omstandigheid voor hem aanleiding is geweest artikel 67c AWR juncto paragraaf 23, aanhef en onder 1, 2 en 4 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 toe te passen en een verzuimboete ten bedrage van € 140,--, ofwel 5% van het te laat betaalde bedrag, op te leggen.
4.3. Belanghebbende ontkent van het tweede betalingsverzuim bericht van de inspecteur te hebben ontvangen.
4.4. De inspecteur erkent dat aan belanghebbende ter zake van het tweede verzuim geen boete is opgelegd, daar het vereiste minimum bedrag van de boete werd niet overschreden, doch stelt dat van een te late betaling steeds een kennisgeving wordt verzonden.
Naar aanleiding van een daartoe door het hof gedaan verzoek voegt de inspecteur hier, bij brief d.d. 30 mei 2005, het volgende aan toe. Op de selectiedatum wordt het aangiftesysteem vergeleken met het betalingssysteem. In geval van een verzuim, maakt de afdeling Centrale Aangifte Verwerking standaardbrieven aan. In het overzicht verzuimen wordt dit vervolgens automatisch aangetekend. Dit systeem kent weinig tot geen foutrisico.
4.5. Het hof acht aannemelijk gemaakt dat in de aan het onderhavige kwartaal voorafgaande zeven aangiftetijdvakken tweemaal eerder sprake is geweest van een betalingsverzuim door belanghebbende. Eén en ander kan ook worden opgemaakt uit het door de inspecteur in het geding gebrachte “verzuimoverzicht”. Het hof hecht voorts geloof aan de verklaring van de inspecteur dat belanghebbende ook op het tweede betalingsverzuim schriftelijk is gewezen. De blote ontkenning van ontvangst van het verzuimbericht is voor het hof onvoldoende aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
4.6. Op grond van het bepaalde in artikel 67c AWR juncto paragraaf 23, aanhef en onder 1, 2 en 4 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 is de onderhavige boete mitsdien terecht opgelegd. De omstandigheid dat de random-reader van de bank van belanghebbende op 29 april 2004 dienst weigerde is een omstandigheid welke ligt in de risicosfeer van belanghebbende en staat aan het opleggen van de onderhavige boete niet in de weg. Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld, op grond waarvan het hof tot het oordeel dient te komen dat de opgelegde boete van € 140,-- niet passend en geboden is.
4.7. De voorgestelde grieven treffen geen van alle doel, zodat het hof het beroep ongegrond zal verklaren.