4. De overwegingen omtrent het geschil
4.1. Wil er sprake zijn van een bron van inkomen, dan moeten er volgens vaste jurisprudentie onder meer redelijkerwijs – zij het in de toekomst – positieve geldelijke voordelen zijn te verwachten.
4.2. Vaststaat dat de belanghebbende in zijn aangiften voor de jaren 1999 en 2000 en ook in zijn aangifte voor het jaar 2002 ter zake van zijn werkzaamheden als artiest een negatief resultaat uit overige werkzaamheden heeft aangegeven. Ook staat vast dat de belanghebbende in het jaar 2001 in totaal tien keer heeft opgetreden en dat het aantal optredens sindsdien steeds alleen maar is verminderd. Verder volgt uit de vaststaande feiten dat belanghebbendes (hoofd)betrekking als beveiligingsmedewerker een beperkte tijd overlaat voor het houden van optredens als artiest. Gelet op deze vaststaande feiten, alsmede gezien de aard en omvang van de door de belanghebbende opgevoerde onkosten, is het gerechtshof van oordeel dat de belanghebbende met zijn werkzaamheden als artiest redelijkerwijs geen positieve geldelijke voordelen kon verwachten in het jaar 2001 dan wel in de toekomst. De belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die zouden kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Het gerechtshof is dan ook van oordeel dat er ter zake van belanghebbendes werkzaamheden als artiest geen sprake is van een bron van inkomen, zodat de onder punt 3.1a vermelde vraag bevestigend dient te worden beantwoord.
4.3. De belanghebbende heeft – naar het gerechtshof hem begrijpt – een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel door te stellen dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met de belastingtelefoon alsmede de belastingdienst en dat hem toen is meegedeeld dat hij de ter zake van zijn optredens gemaakte onkosten kon aftrekken, mits hij deze kon aantonen met bonnetjes. Het gerechtshof gaat er vanuit dat – gelet op hetgeen de belanghebbende hieromtrent heeft aangevoerd – hem slechts algemene inlichtingen zijn verstrekt. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat de belanghebbende afgaande op deze algemene inlichtingen enige handeling heeft verricht of nagelaten waardoor hij boven de wettelijk verschuldigde belasting schade lijdt (vergelijk HR 28 juni 2002, nr. 37 099). Reeds hierom kan het gerechtshof dit beroep op het vertrouwensbeginsel niet honoreren. Het gerechtshof overweegt verder dat de omstandigheid – al dan niet in samenhang bezien met de door de belanghebbende gevraagde algemene inlichtingen – dat de inspecteur bij de belanghebbende ter zake van de door hem opgevoerde onkosten nota’s en betalingsbewijzen heeft opgevraagd evenmin bij de belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen heeft kunnen opwekken dat de inspecteur het door de belanghebbende aangegeven negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking zou nemen.
4.4. Met betrekking tot het door de belanghebbende aan zijn ex-echtgenote betaalde bedrag van ƒ 4.000,-- voor de inrichting van de woning overweegt het gerechtshof dat uit het tot de gedingstukken behorende echtscheidingsconvenant duidelijk blijkt dat dit bedrag aan belanghebbendes ex-echtgenote is toegedeeld. Dit bedrag maakt derhalve deel uit van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Hieraan doet niet af dat de belanghebbende dit bedrag reeds voorafgaande aan de boedelverdeling aan zijn ex-echtgenote heeft betaald. Van een door de belanghebbende gedane betaling ter zake van onderhoudsverplichtingen als bedoeld in artikel 6.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (: de Wet) kan naar het oordeel van het gerechtshof dan ook geen sprake zijn. De inspecteur heeft de belanghebbende ter zake van deze betaling het recht op persoonsgebonden aftrek dus terecht ontzegd.
4.5. Naar het oordeel van het gerechtshof heeft de inspecteur het door de belanghebbende als onderhoudsverplichtingen opgevoerde aan de advocaat-scheidingsbemiddelaar betaalde bedrag van ƒ 2.835,-- eveneens terecht niet in aftrek toegelaten. Dit bedrag heeft – naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld – kennelijk betrekking op de door mr. D verrichte werkzaamheden aangaande de echtscheiding en de scheiding en deling van de echtelijke boedel. Dit zijn naar het oordeel van het gerechtshof geen kosten die zijn gemaakt ter verwerving, inning of behoud van belaste inkomsten. Alsdan biedt de Wet naar het oordeel van het gerechtshof geen mogelijkheid deze kosten in aftrek toe te laten. De door belanghebbendes advocaat aan de belanghebbende hieromtrent gedane andersluidende mededelingen kunnen dan ook niet als juist worden aanvaard. Met betrekking tot de door de belanghebbende bij de belastingtelefoon verkregen inlichtingen, geldt hetzelfde als onder punt 4.3 is overwogen.
4.6. De belanghebbende heeft gesteld dat hij een bedrag van ƒ 2.200,-- als alimentatie aan zijn ex-echtgenote heeft betaald. Tegenover de gemotiveerde weerspreking van de inspecteur heeft hij deze stelling evenwel op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De inspecteur heeft de aftrek van dit bedrag naar het oordeel van het gerechtshof derhalve terecht geweigerd.
4.7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep geen doel treft.