Spoedeisend belang
8. Grief III komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Ertewe het spoedeisend belang bij het verkrijgen van betaling voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
8.1. [appellant] voert hiertoe aan dat de voorzieningenrechter er ten onrechte vanuit is gegaan dat de vordering van Ertewe een kwart van haar jaaromzet behelst, terwijl ook anderszins niet van de door Ertewe gestelde spoedeisendheid is gebleken.
8.2. Het hof is nochtans van oordeel dat Ertewe door het gestelde in de memorie van antwoord ad grief III, één en ander onderbouwd met de door haar bij de "pleitnoties" d.d. 2 maart 2005 overgelegde blz. 5 van het jaarrapport 2003, genoegzaam aan het door [appellant] in de memorie van grieven, sub 21 en 22 gestelde tegemoet is gekomen. Het hof gaat er derhalve vanuit dat Ertewe, gezien de omvang van haar vordering gerelateerd aan haar jaaromzet, een voldoende spoedeisend belang heeft.
De vordering van Ertewe
9. Het hof komt nu eerst toe aan de behandeling van grief VII. Deze grief komt op tegen de vaststelling door de voorzieningenrechter van de vordering van Ertewe op [appellant] op een bedrag van Euro 102.292,58. Het hof zal hierbij ook grief II betrekken, waarbij [appellant] naar voren heeft gebracht dat partijen zijn overeengekomen dat de tweede factuur ad Euro 20.000,-- van [appellant] in januari 2005 mocht worden verrekend.
9.1. Uit het feit dat Ertewe in hoger beroep uitdrukkelijk tot bekrachtiging van het vonnis van de voorzieningenrechter heeft geconcludeerd, leidt het hof af dat zij geen verborgen grief opwerpt tegen de overweging van de voorzieningenrechter om de facturen d.d. 1 en 12 januari 2005 van Euro 32.825,-- en Euro 255,-- niet te betrekken bij de veroordeling. Uitgangspunt in hoger beroep is derhalve het bedrag van Euro 102.292,58 dat door de voorzieningenrechter aan Ertewe is toegewezen.
9.2. [appellant] stelt dat de voorzieningenrechter bij de vaststelling van het door haar aan Ertewe verschuldigde bedrag ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het volgende:
a) de factuur ad Euro 17.400,-- met nummer 24242 van Ertewe betrof op voorhand gefactureerde werkzaamheden (project Jan Steenstraat) die uiteindelijk niet door haar zijn uitgevoerd en dit bedrag is dus ten onrechte in rekening gebracht;
b) Ertewe heeft ten onrechte het bedrag van Euro 1.753,20 aan [appellant] in rekening gebracht, omdat dit het volgens afspraak voor rekening van Ertewe komende deel van de kosten van deskundige Köhler betreft;
c) partijen zijn overeengekomen dat [appellant] een bedrag van Euro 20.000,-- terzake van herstelschade aan Ertewe zou factureren en dat dit bedrag vervolgens in mindering zou worden gebracht op de reeds door Ertewe aan [appellant] verzonden facturen;
d) partijen zijn overeengekomen dat de tweede factuur ad Euro 20.000,-- van [appellant] in januari 2005 door [appellant] met de openstaande facturen van Ertewe mocht worden verrekend.