ECLI:NL:GHLEE:2005:AU2101

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
2 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK 266/04 BPM
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.J.W. Drion
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielenArt. 4 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 28a Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 28b Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke beoordeling woonplaats voor naheffingsaanslag BPM

De belanghebbende, eigenaar van een woonboerderij en een onderneming in Nederland, was vanaf 1999 tot mei 2003 ingeschreven in de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie. In mei 2003 schreef zij zich uit Nederland uit en in België in, waar haar partner woonachtig is. Op 3 april 2003 constateerde de inspecteur dat zij met een in het buitenland geregistreerd voertuig op de Nederlandse openbare weg reed.

De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende ten tijde van het gebruik als in Nederland woonachtig kon worden beschouwd. Het hof oordeelde dat de feiten en omstandigheden, waaronder haar inschrijving, zakelijke en persoonlijke banden, en verzekeringen, voldoende bewijs leverden dat zij tot mei 2003 in Nederland woonde. Haar korte verblijf in België was onvoldoende om dit te weerleggen.

Op grond van artikel 1 van Pro de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en artikel 4 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen werd geconcludeerd dat de naheffingsaanslag BPM terecht was opgelegd. Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard en zij werd niet veroordeeld in proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 266/04 2 september 2005
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van mevr. X te Z (: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Groningen (: hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen over het jaar 2003.
1. Ontstaan en loop van het geding.
Aan belanghebbende is voormelde naheffingsaanslag opgelegd.
De inspecteur heeft met dagtekening 20 februari 2004 uitspraak gedaan op het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar.
De belanghebbende is op 24 maart 2004 tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het gerechtshof.
Nadat de inspecteur zijn verweerschrift op 18 mei 2004 heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 17 juni 2005, gehouden te Assen,
alwaar de belanghebbende aanwezig was.
Het gerechtshof heeft in deze zaak op 1 juli 2005 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 15 juli 2005, aan partijen is verzonden.
Bij schrijven, ingekomen op 26 augutus 2005, heeft de griffier van de Hoge Raad op de voet van artikel 28a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het gerechtshof medegedeeld dat tegen de voormelde mondelinge uitspraak beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad heeft op voet van artikel 28b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak.
Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. Feiten:
2.1. Vanaf 1998 heeft de belanghebbende een onderneming in Z. De onderneming is vier dagen in de week geopend. De onderneming wordt gedreven in de vorm van een naar Nederlands recht opgerichte en in Nederland gevestigde besloten vennootschap.
2.2. De belanghebbende heeft de Belgische nationaliteit en is ongehuwd. Zij heeft aangegeven dat er geen sprake is van een geregistreerd partnerschap, maar heeft een in L, België, wonende partner.
2.3. De belanghebbende heeft een betaalrekening bij de ING bank te M. Op deze rekening wordt haar salaris gestort en worden de lopende betalingen gedaan.
2.4. De belanghebbende is eigenaresse van een woonboerderij met een gastenverblijf.
In 1999 heeft de belanghebbende zich laten inschrijven in de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie. In een aantal notariële akten heeft de belanghebbende aangegeven in Nederland woonachtig te zijn. In mei 2003 heeft belanghebbende zich laten uitschrijven uit de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie en zich laten inschrijven op een adres in België, waar haar partner ook woonachtig is.
2.5. De belanghebbende heeft een ziektekostenverzekering afgesloten met een in Nederland gevestigde ziektekostenmaatschappij.
2.6. Op 11 maart 2003 is door de inspecteur geconstateerd dat de belanghebbende met een in het buitenland geregistreerd voertuig, een Belgisch kenteken, gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland. De inspecteur heeft aan de kentekenhoudster, zijnde de belanghebbende, bij brief van 17 maart 2003 gewezen op het feit dat het als Nederlandse ingezetene niet toegestaan is om met een niet hier te lande geregistreerd voertuig te rijden.
2.7. Op 3 april 2003 is wederom door de inspecteur geconstateerd – door middel van een controle – dat de belanghebbende gebruik maakte van de openbare weg met een niet hier te lande geregistreerd voertuig.
Naar aanleiding van deze constatering heeft de inspecteur aan de belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd.
3. Geschil.
Tussen partijen is in geschil of de belanghebbende ten tijde van het geconstateerde gebruik aangemerkt kan worden als een hier te lande wonend natuurlijk persoon.
4. Rechtsoverwegingen
4.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (: de Wet) een belasting geheven met betrekking tot personenauto’s en motorrijwielen. Het vijfde lid van genoemd artikel bepaalt dat ingeval een niet-geregistreerde personenauto of een niet-geregistreerd motorrijwiel feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijk persoon of gevestigd lichaam, de belasting verschuldigd is ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.
4.2. In de eerste plaats dient de vraag te worden beantwoord of de belanghebbende ten tijde van de controle al dan niet in Nederland woonachtig was. De vraag waar iemand woont wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen ter zake van de heffing van rijksbelastingen ingevolge artikel 4, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) naar het totaal van feiten en omstandigheden beoordeeld. De bepalingen van de AWR zijn ook van toepassing bij de heffing van BPM.
4.3 De feiten en omstandigheden ten aanzien van beroepsmatige en persoonlijke bindingen geven daarbij de doorslag. De onder 1.1. tot en met 1.5. opgenomen feiten en omstandigheden laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de belanghebbende in ieder geval vanaf 1999 tot mei 2003 geacht moet worden in Nederland te wonen. De door de belanghebbende aangevoerde argumenten, met name haar driedaagse verblijf in L, zijn tegenover de vaststaande feiten onvoldoende om aan te nemen dat haar feitelijke woonplaats zich in België zou hebben bevonden.
Tegenover het goed gemotiveerde standpunt van de inspecteur heeft de belanghebbende het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.
4.4. Het gerechtshof heeft daarbij in overweging genomen dat haar Belgische nationaliteit aan het hiervoren gestelde niet afdoet evenmin de aanschaf van haar auto in België.
4.5. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de belanghebbende geacht moet worden te zijn
als een in Nederland wonende natuurlijk persoon ten tijde van het geconstateerde gebruik, zodat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
5. Conclusie
Het beroep is mitsdien ongegrond.
6. Proceskosten
Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
7. De beslissing
Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld op 2 september 2005 door mr. F.J.W. Drion, raadsheer en voorzitter,
lid van de derde enkelvoudige belastingkamer van het gerechtshof Leeuwarden en ondertekend door voormelde voorzitter, zijnde de griffier buiten staat te ondertekenen.
Afschrift per aangetekende post verzonden
op: 7 september 2005