ECLI:NL:GHLEE:2005:AU3820
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- Pruiksma
- Van der Meer
- Bakker
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navordering inkomstenbelasting over verkoop inleggelden OPG
Belanghebbende, apotheker en lid van de coöperatieve vereniging OPG, bracht zijn onderneming in 1993 geruisloos in een besloten vennootschap in. In 1991 en 1992 kocht hij inleggelden van OPG die hij bij de beursgang in 1992 verkocht, waarbij hij de winst niet als winst uit onderneming opgaf maar als dividend.
De inspecteur stelde dat deze inleggelden verplicht ondernemingsvermogen vormen en dat de verkoopwinst tot de winst uit onderneming behoort, waarop hij een navorderingsaanslag oplegde. Belanghebbende voerde aan dat de inspecteur bij de geruisloze omzetting reeds alle vermogensaspecten had beoordeeld en dat er geen nieuw feit was voor navordering.
Het hof stelde vast dat de inleggelden en de aanspraak op de Reserve Bijzondere Voorzieningen (RBV) onlosmakelijk verbonden zijn met het ondernemingsvermogen. De verkoopwinst uit 1992 moest daarom als winst uit onderneming worden belast. Het hof oordeelde dat de inspecteur pas in 1996 kennis kreeg van de relevante informatie, wat een nieuw feit vormt dat navordering rechtvaardigt.
De winstneming in 1992 is terecht en het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1992 wordt ongegrond verklaard.