ECLI:NL:GHLEE:2005:AU6184
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.S. Pruiksma
- G.M. van der Meer
- H. Bakker
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over naheffingsaanslag omzetbelasting en bewijs van betaling
Belanghebbende, een opkoper en verwerker van oude metalen, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1998-2001 vanwege een verschil tussen de grootboekadministratie en de ingediende aangiften. De inspecteur stelde vast dat een bedrag van ƒ 238.691,- niet was betaald. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat de naheffing contant was voldaan en dat suppletieaangiften waren ingediend.
Tijdens het boekenonderzoek bleek dat de boekhouder de verschillen jaarlijks onder crediteuren had geboekt, maar er waren geen bankafschriften of kwitanties voor contante betalingen. Ook werden suppletieaangiften niet overgelegd en was contante betaling aan de belastingdienst volgens de inspecteur al meer dan tien jaar niet meer mogelijk. Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat het naheffingsbedrag was betaald.
Daarnaast werd een boete van 25% opgelegd wegens grove schuld, omdat het niet tijdig betalen van de belasting aan belanghebbende te wijten was. Het hof achtte de boete passend gezien de ernst en omvang van het vergrijp. Het beroep werd dan ook ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag inclusief boete gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van betaling.